Startpagina Groenten

Bemesten en tripsbestrijding in preiteelt

Op 15 januari vond bij Inagro een demonamiddag plaats rond de bemesting van prei en beheersing van trips in deze teelt. Een 40-tal geïnteresseerden zakten af naar Rumbeke om bij te leren over deze thema’s. Deze demonamiddag werd in samenwerking met B3W georganiseerd in het kader van het demonstratieproject N-FIT).

Leestijd : 4 min

Met het demonstratieproject N-FIT (N – Fractioneren, Innoveren en Techniek in de groenteteelt) wilden projectpartners Inagro, Viaverda en PSKW op praktijkbedrijven demovelden aanleggen waar de bemestingsbehoefte in late groenten intensief werd opgevolgd en zeer gericht werd bijbemest. Het project startte op 1 maart 2023 en loopt op 28 februari af.

Op de demonamiddag dompelden Zoë Borry (B3W, de Begeleidingsdienst voor Betere Bodem en Waterkwaliteit) en Guillaume Provoost (Inagro) de aanwezige telers onder in een bad vol met tips om prei te bemesten. Omdat deze groente tijdens de eerste groeiweken weinig stikstof nodig heeft, volstaat de toediening van een basisbemesting met dierlijke mest. Bovendien moet je bij de toediening van deze startbemesting ook rekening houden met een aantal perceelsspecifieke kenmerken, zoals de stikstofnalevering van de voorvrucht, de organische bemesting van de voorgaande jaren, de teeltrotatie en de mineralisatie van de bodemorganische stof. Wist je dat B3W een handleiding maakte om de nodige basisbemesting in te schatten? Je vindt die op www.b3w.vlaanderen.be (zoek op ‘rekentool basisbemesting groenten’). Onder het tabblad ‘Evenementen’ vind je nuttige info over interessante evenementen die B3W organiseert.

Zes tot 8 weken na het planten neem je dan best een stikstofstaal, om precies bij te bemesten. Die staalname kan ook vroeger of later gebeuren, afhankelijk van het groeiseizoen en van wanneer je je startbemesting hebt gegeven. Het is dus belangrijk om als teler visueel op te volgen hoe de prei evolueert op het veld, om daarna het juiste staalnamemoment te kunnen inschatten. Dit kan zeker met je teeltbegeleider, adviseur, staalnemer… worden besproken. Het juiste moment van bijbemesten is namelijk cruciaal voor het vervolg van de teelt en bij uitbreiding het nitraatresidu. Een te hoge bemesting, op een moment dat de prei dit niet nodig heeft, kan leiden tot uitspoeling van de stikstofbodemvoorraad naar diepere grondlagen die de prei niet kan of zal bereiken.

Guillaume Provoost gaf de aanwezigen duiding over welke bemesting de diverse veldjes binnen de proef kregen,  de oogstresultaten en het nitraatresidu.
Guillaume Provoost gaf de aanwezigen duiding over welke bemesting de diverse veldjes binnen de proef kregen, de oogstresultaten en het nitraatresidu. - Foto: Inagro

Onderzoek naar bemesten in prei

De stikstofbemesting van prei is geen exacte wetenschap. Daardoor wordt er nog verder onderzoek uitgevoerd op welke manier en met welke meststof je prei kan bemesten. Het onderzoek naar bemesting met verschillende bemestingssoorten werd nog verder toegelicht op de demonamiddag. Daarna volgde een bezoek aan het proefveld. Guillaume Provoost gaf daarbij duiding over welke bemesting de verschillende veldjes binnen de proef kregen, de oogstresultaten en het nitraatresidu.

Vooral het fractioneren leek van goudwaarde voor de prei, alsook de startbemesting met drijfmest. Het object dat een startbemesting met drijfmest (31,5 eenheden werkzame stikstof) kreeg, gevolgd door 1 bijbemesting (86,4 eenheden werkzame stikstof via ammoniumnitraat), resulteerde in een opbrengst van 49,1 ton/ha. Het object dat een startbemesting kreeg van 76 eenheden werkzame stikstof via ammoniumnitraat en 1 bijbemesting van 31 eenheden werkzame stikstof via ammoniumnitraat gaf een opbrengst van 49,9 ton/ha. Tot slot bereikte het object dat een startbemesting kreeg van 76 eenheden werkzame stikstof via ammoniumnitraat en 1 bijbemesting van 44 eenheden werkzame stikstof via meststof Sulfammo 26% een opbrengst van 50,1 ton/ha.

De telers raakten geïnspireerd door de resultaten van de proef en het proefveld, en ze gaven al ideeën en mogelijkheden mee voor verder onderzoek. Een overzicht van de proefresultaten vind je op www.groentenadvies.be.

Beheersing van trips

Tot slot gaf Danny Callens (Inagro) meer duiding over een 4-jarig onderzoek over de geïntegreerde beheersing van de bladtrips (Thrips tabaci) in openluchtgroenten. Die beheersing steunt vooral op enkele teelttechnische maatregelen om de tabakstrips te beheersen en de populatie van natuurlijke vijanden te stimuleren. Het effect op trips door de toepassing van intercropping – meerdere planten zoals bankerplanten en vanggewassen dicht bij elkaar telen om een hogere opbrengst te verkrijgen met middelen die anders niet door 1 enkel gewas zouden worden gebruikt – organische mulchlaag, afdekmaterialen, alternatieve gewasbeschermingsmiddelen, spuittechniek en behandelschema’s, irrigatie, rassenkeuze en het inzetten van natuurlijke vijanden en hun compatibiliteit met chemische middelen namen we tijdens de demonamiddag onder de loep.

We sommen hierna de belangrijkste effecten op. Rassenkeuze is extreem belangrijk. Soms wordt geen effect meer gezien van een insecticidebehandeling bij hoge druk van trips. Het inzetten van zowel bankerplanten als het Lobularia (bankerplant) x Orius (roofwants)-systeem heeft een gering maar positief effect. Ook irrigatie, grove druppelbespuitingen aan een hoog spuitvolume en het afdekken met gaas met voldoende fijne mazen (0,15 x 0,17 mm) hebben een positief effect. Bij andere teelttechnische maatregelen – compost en stro als mulch in prei, organische mulch in kool – zijn de effecten variabel, nihil of moeilijk te realiseren.

Guillaume Provoost (Inagro)

Lees ook in Groenten

Meer artikelen bekijken