Wintersterfte bij honingbijen blijft stijgen
De voorbije winter hebben de Vlaamse imkers gemiddeld 32 % van hun bijenvolken verloren. Dat is nog slechter dan de 28 % wintersterfte van vorig jaar, toen al een record. Dat blijkt uit de jaarlijkse enquête van het Vlaamse Bijeninstituut (VBI).

De norm van wintersterfte ligt al decennialang op 10 %, maar wordt al lang niet meer gehaald. De rondvraag bij 546 Vlaamse imkers - van de in totaal ongeveer 5.000 - wijst net als vorig jaar op grote regionale verschillen. Oost-Vlaanderen (36 %) en Antwerpen (32 %) zijn de provincies met de grootste bijenstefte.
In sommige gemeentes gingen zelfs alle bijenvolken verloren, bijvoorbeeld in de zuidrand van Antwerpen (Wommelgem, Hove en Lint) of in het West-Vlaamse Lichtervelde. Het onderzoek naar de vele oorzaken van de hoge wintersterfte is een lang en moeilijk proces, zegt voorzitter René De Backer van het VBI. Zeer nefast voor de bijen is de opkomst van de Aziatische hoornaar de afgelopen jaren. "Eind december was al 20 % van de bijenvolken verloren gegaan", aldus De Backer. "Daar speelt de Aziatische hoornaar een grote rol in."
Andere belangrijke oorzaken zijn de Varroamijt, een parasiet die zich voortplant in het broednest van honingbijen, de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen, zowel van de land- en tuinbouw als van particulieren, en de afname van het voedselaanbod voor bijen.
"Op het vlak van voedsel voor bijen is Vlaanderen een woestijn", zegt De Backer. "De meeste open ruimte is ingenomen door landbouw en tuinen zijn te strak aangelegd met te weinig bloemen." Ook de vorming van de nieuwe imkers baart het VBI zorgen. "In buurlanden als Frankrijk of Duitsland krijgen ze 100 à 200 uur opleiding, bij ons 36. Daardoor weten die imkers minder hoe ze moeten omgaan met parasieten, ziektes of nieuwe belagers. Daarover moeten we overleggen met het Agentschap Landbouw", besluit De Backer.