Startpagina Wetgeving

Wie is er aansprakelijk bij wildschade door bejaagbare soorten?

In Landbouwleven van 7 november werd de administratieve procedure uiteengezet voor het verkrijgen van een vergoeding bij het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) voor wildschade afkomstig van niet-bejaagbaar wild en beschermde diersoorten. Schade veroorzaakt door bejaagbaar wild wordt daarentegen niet vergoed door de Vlaamse overheid, omdat zij de bestrijding van dat wild niet belemmert.

Leestijd : 4 min

In dit artikel wordt uiteengezet wie het slachtoffer van dit soort wildschade dan wel kan aanspreken en onder welke voorwaarden er schadevergoeding kan worden verkregen.

Jachtdecreet

In het Vlaamse Gewest is de rechtsgrond voor de vergoeding van wildschade terug te vinden in het Jachtdecreet van 24 juli 1991. Volgens dit decreet wordt de vergoeding van ‘belangrijke’ wildschade vastgesteld volgens de gewone rechtsregels. Bij gebrek aan een bijzondere decretale regeling moeten slachtoffers van deze wildschade dus terugvallen op de burgerrechtelijke aansprakelijkheidsregels. Dit betekent dat de persoon die schade leed daarvoor vergoeding kan vorderen vanwege de persoon die door zijn fout deze schade heeft veroorzaakt.

Enkel buitengewone schade

Enkel buitengewone wildschade komt in aanmerking voor schadevergoeding. Het buitengewone karakter kan enerzijds slaan op de aard en de omvang van de schade, maar anderzijds ook op het feit dat de natuurlijke aanwezigheid van de betreffende wildsoort op het terrein eerder uitzonderlijk is. De normale schade en de schade die het gevolg is van de eigen fout van het slachtoffer, wegens stilzitten, gebrek aan onderhoud of het nalaten om preventief te handelen, worden daarentegen niet vergoed. De eigenaar of gebruiker van een onroerend goed gelegen in de omgeving van het leefgebied van wildsoorten moet de ongemakken of de nabijheid van zulke bossen of terreinen binnen bepaalde grenzen ondergaan.

Het slachtoffer zal moeten aantonen dat de buitengewone wildschade werd veroorzaakt door een foutieve handeling of nalatigheid van een derde. De schending van een specifieke gedragsregel, hetzij een gedraging die door de rechter in de concrete omstandigheden als ongeoorloofd (onzorgvuldig) wordt aangemerkt, moet een noodzakelijke voorwaarde zijn voor het optreden van (de omvang van) de wildschade. Eventueel kan het eigen foutief gedrag van het slachtoffer leiden tot een gedeelde aansprakelijkheid. Dat leidt tot een beperking van de schadevergoeding.

Wie is aansprakelijk?

Voor abnormale wildschade wordt in principe de jachtrechthouder aangesproken die instaat voor het wild dat de schade veroorzaakte. Op de jachtrechthouder rust een inspanningsverbintenis om alle beschikbare middelen aan te wenden om overpopulatie van wild te voorkomen op de onroerende goederen waarvan hij jachtrechthouder is. Logischerwijze kan de jachtrechthouder enkel worden aangesproken als het slachtoffer bewijst dat de schade werd veroorzaakt door de aanwezigheid van een wildsoort waarop de jacht effectief geopend was in de periode voorafgaand aan het ontstaan van de overpopulatie op het jachtgebied. Het Jachtopeningsbesluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2013 regelt per (bejaagbare) wildsoort in welke periode erop mag worden gejaagd. De overpopulatie moet te wijten zijn aan de nalatigheid van de jachtrechthouder om zijn jachtrecht uit te oefenen en om tijdig de bestrijding van de wildsoort aan te vragen.

Wanneer het bejaagbaar wild afkomstig is van het openbaar domein, kan desgevallend de overheid-eigenaar worden aangesproken die geen jachtrechthouders heeft aangesteld.

Ook de organisator van een jachtpartij kan aansprakelijk worden gesteld voor schade veroorzaakt door het door hem opgejaagde wild. Het organiseren van de jachtpartij is op zichzelf foutief wanneer dit niet gebeurt volgens de wettelijke voorwaarden uit het Jachtvoorwaardenbesluit. Daarnaast ligt er echter evenzeer een fout voor wanneer de activiteit op onzorgvuldige wijze wordt uitgeoefend, zoals bijvoorbeeld door het organiseren van een jachtpartij in de nabijheid van een openbare weg zonder de nodige voorzorgsmaatregelen, of door het wild op te drijven naar het terrein van de schadelijder.

Opgepast voor de eigen fout

Op een slachtoffer van een buitencontractueel schadegeval rust altijd een zogenaamde schadebeperkingsplicht. Dit betekent dat de schadelijder in de gegeven omstandigheden de nodige maatregelen moet hebben genomen die de schade redelijkerwijze hadden kunnen voorkomen. Voor wildschade wordt de schadebeperkingsplicht geconcretiseerd in de zogenaamde ‘Codex van goede praktijk’ van 12 mei 2014, die de maatregelen bevat waarvan redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij genomen worden door de schadelijder. Er werden voorzorgsmaatregelen in opgenomen voor schade veroorzaakt door vogels, bevers, konijnen en hazen, marterachtigen, vossen, hertachtigen en wilde zwijnen. In de praktijk zal de schadelijder die nalaat deze voorzorgsmaatregelen te nemen zelf gedeeltelijk moeten instaan voor de wildschade, tenzij deze niet de geleden schade hadden kunnen voorkomen.

Procedure

De procedure om een schadevergoeding te verkrijgen voor schade door bejaagbaar wild is de klassieke gerechtelijke procedure. Al naargelang de inzet van de vordering tot schadevergoeding meer of minder dan 5000 euro bedraagt, is de vrederechter of de rechtbank van eerste aanleg bevoegd. Na een ingebrekestelling zal de schadelijder de volgens hem verantwoordelijke persoon of personen dagvaarden voor de bevoegde rechter van de plaats waar de wildschade zich voordeed.

Jan Opsommer

Lees ook in Wetgeving

Wie mag de bomen kappen op het pachtgoed?

Wetgeving Aan de rand van een groot perceel dat ik pacht staan 8 kaprijpe populieren. Bij de betaling van de pacht vertelde de eigenaar dat hij deze bomen het komende jaar wil kappen en de opbrengst voor hem wil houden. Kan dit zomaar? Ik ben toch de pachter en heb toch recht op de vruchten van het perceel?
Meer artikelen bekijken