Moeten antibioticanormen in dierlijke productie strenger?
Volgens onderzoek van het Instituut voor Tropische Geneeskunde worden gevaarlijke bacteriën al bij de huidige toegelaten concentraties antibiotica resistent tegen antibiotica. Amcra vindt het nog te vroeg om verregaande conclusies te trekken: “Verdere studies zijn nodig om te bepalen of de normen voor antibioticaresidu’s in dierlijke producten lager moeten.”

Op basis van onderzoek stelde het Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG) dat zelfs een tiende van de huidige toegelaten antibioticaresidu’s in dierlijke producten al kan bijdragen tot resistentie tegen het geneesmiddel. “Antibioticarichtlijnen onderschatten mogelijk het risico op resistentie”, klonk het. Onderzoekers van het ITG roepen dan ook op om de huidige normen rond het gebruik van antibiotica in de voedselproductie te herbekijken.
Antimicrobiële resistentie
Microben, waaronder bacteriën die voor infecties zorgen, worden resistent tegen antimicrobiële stoffen na contact ermee. Zo wordt het steeds moeilijker om gevaarlijke infecties met antibiotica te behandelen bij mensen. Die resistentie kan ook via de voedselketen van dier naar mens verspreiden door antibioticagebruik in de dierlijke productie.
“Het is met name alarmerend voor bacteriën die erom bekendstaan ernstige infecties te veroorzaken, zoals longontstekingen”, zei ITG-professor Chris Kenyon. “Die bacteriën worden steeds resistenter tegen een behandeling met antibiotica.”
Volgens schattingen van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) sterven jaarlijks 35.000 mensen in de EU aan onhandelbare infecties door AB-resistentie. Elk jaar zorgen resistentere bacteriën voor 1,5 miljard euro economische schade in de EU door duurdere gezondheidskosten en productieverliezen.
Geen reden tot paniek
Volgens Amcra, het Belgisch kenniscentrum inzake antibioticagebruik en –resistentie bij dieren, vormt de studie van het ITG echter geen reden tot paniek. “We mogen zeker niet de fout maken om op basis van deze preliminaire studie consumenten te waarschuwen voor de aanwezigheid van antibioticaresidu’s in vlees en vis”, zegt Fabiana Dal Pozzo van Amcra. “Verdere studies zijn nodig om te bepalen of de normen ervoor lager moeten.”
Het onderzoek van het ITG werd uitgevoerd op larven, wat volgens Dal Pozzo niet toelaat om limieten voor dierlijke consumptie te bepalen. “Onderzoek op larven is begrijpbaar voor een eerste studie. Ze zijn goedkoper en op het vlak van dierenwelzijn zijn larven een betere optie dan modellen op basis van zoogdieren. Verder onderzoek is echter nodig op bijvoorbeeld muizen, om verregaande conclusies over de antibioticanormen te kunnen trekken.”
Residunormen
Hoe worden de normen momenteel bepaald? “Stoffen die gebruikt worden in diergeneesmiddelen moeten door het European Medicine Agency (EMA) worden beoordeeld op het risico dat ze vormen voor consumenten”, zegt Hélène Bonte, woordvoerder van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. “Enkel toegelaten stoffen mogen gebruikt worden in een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik. Indien nodig wordt er een maximale residulimiet vastgesteld, die de veiligheid voor de consument moet garanderen.”
De wetgeving specificeert nog voor welke diersoorten de stof toegelaten mag worden en of de stof verboden is voor dieren die melk of eieren voor menselijke consumptie produceren.
Het Belgisch voedselagentschap moet ook melk, eieren, vlees en vis op antibioticaresidu’s controleren. “Volgens de Europese wetgeving moet elke lidstaat een monitoring uitvoeren van residu’s op zijn grondgebied”, aldus Bonte. “De lidstaten moeten ook een monitoring uitvoeren voor geïmporteerde producten, wat we bij het FAVV dan ook doen.” De resultaten daarvan rapporteert voedselveiligheid terug aan de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) en aan de Europese Commissie.
In 2023 nam het FAVV iets meer dan 14.000 monsters van dierlijke producten. De overgrote meerderheid (99,5%) bevatte geen verboden stoffen of zat onder de maximale limieten voor wel toegelaten antibiotica. “In geval van aanwezigheid van niet-conforme antibiotica, wordt een onderzoek uitgevoerd om de oorsprong ervan vast te stellen. Op basis van dit onderzoek kan eventueel een verscherpte controle worden uitgevoerd”, zegt Bonte.
Niet-conform(e) vlees, vis, melk of eieren mogen in principe niet op de markt terechtkomen. “Die producten worden in het slachthuis al geblokkeerd, zodat ze niet op de markt gebracht worden. Zijn ze al in de handel gebracht, dan wordt het risico voor de consument beoordeeld. Indien nodig organiseren we dan een terugroepactie.”
Het voedselagentschap maakt ook via het RASFF-systeem (Rapid Alert System for Food and Feed) een melding, wanneer producten uit België met verboden antibiotica of producten die de maximale residulimiet overschrijden in een ander land op de markt gebracht zijn.
Inspanningen
Na het toedienen van een antibioticum met een maximale residulimiet, moeten veehouders een bepaalde tijd wachten met bijvoorbeeld het dier naar het slachthuis te sturen, om de opbouw van residu’s in vlees en andere dierlijke producten te voorkomen. “Deze wachttijd wordt door het farmaceutische bedrijf vastgesteld op basis van studies met behandelde dieren, waarbij het verdwijnen van residu’s in dierlijke producten is gemeten”, aldus Bonte.
De dierenarts informeert veehouders over de te respecteren wachttijd. “Dierenartsen respecteren de verplichte wachttijd na het toedienen van een antibioticum. Ik ken er geen enkele die daar licht mee zou omspringen”, zegt Dal Pozzo. “Er wordt immers streng op gecontroleerd.”
Sowieso worden er al veel inspanningen geleverd om antibioticagebruik in de dierlijke productie te doen dalen. Volgens recente cijfers van Amcra daalde de totale verkoop van antibiotica voor dieren in België met bijna 22% in 2023 ten opzichte van 2022. Nieuwe, strengere doelstellingen tegen 2030 moet het antibioticagebruik in België doen evolueren naar de Europese mediaan, een totale reductie van minstens 70% in vergelijking met 2011.
Boodschap blijft hetzelfde
Chris Kenyon van ITG is het met Dal Pozzo eens dat er nog meer onderzoek nodig is. “We zijn momenteel bezig met studies op muizen en mensen”, zegt hij. “Maar ongeacht de resultaten, blijft onze boodschap hetzelfde.”
Hun probleem met de huidige normen voor antibioticaresidu’s is dat de minimale hoeveelheid antibiotica waarbij resistentie optreedt nooit werd opgenomen als factor door EMA en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) bij het bepalen van de limieten. “Dat is een groot tekort van de richtlijnen. Je ziet dan dat concentraties veel lager dan de huidige normen al resistentie opwekken”, aldus Kenyon.
“Veel boeren die ik ken, willen natuurlijk ook eten produceren dat veilig is voor consumptie. Als de normen niet voldoende zijn om die veiligheid te garanderen, zijn ook die boeren daar bezorgd over”, besluit Kenyon.