Startpagina Archief

Hoe rendabel boeren bij het verdwijnen van gewasbeschermingsmiddelen?

De ‘State of the Union’, die eind januari in Oudenaarde plaatsvond, handelde grotendeels rond het vraagstuk hoe er in de toekomst rendabel geboerd kan worden met het verdwijnen van gewasbeschermingsmiddelen.

Leestijd : 8 min

Vorige week brachten we beknopt het relaas van Marc Ballekens (PCLT), minister Brouns en Carl De Braeckeleer (DLV).

De partners van deze informatieavond hadden een mooi technisch programma uitgewerkt. Als eerste bracht Professor Emeritus Geert Haesaert, recent gepensioneerd aan de UGent, zijn visie op gewasbeschermingsmiddelen. Hij stond vooral stil bij hoe we toch nog gewassen kunnen produceren met een verminderend middelenpakket.

Weinig speelruimte om minder te produceren

Hij gaf bij aanvang van zijn uiteenzetting onmiddellijk aan dat er weinig speelruimte is om minder te produceren. Er gaan immers in de toekomst zo’n 10 miljard mensen gevoed moeten worden, zonder dat er een stijging is van de agrarische oppervlakte. “Ten opzichte van 2010 zal er tegen 2050 maar liefst 58% meer calorieën geproduceerd moeten worden om de wereldbevolking te voeden. Eigenlijk vraagt een grotere voedselproductie meer landbouwoppervlakte, maar die is er niet. Bijkomend zorgt de klimaatverstoring voor een toename van biotische en abiotische stress in onze teeltsystemen, waardoor de voedselproductie vermindert. Ook de impact van de voedselproductie op het klimaat moet minderen.”

Professor Haesaert stelde duidelijk dat gewasbescherming een cruciale rol speelt bij de stabilisatie en verhoging van gewasopbrengsten in de toekomst. Volgens hem kan er in een scenario zonder gewasbescherming een potentieel verlies aan productie van 50% zijn in tarwe en zelfs van 75% in aardappelen. “Gewasbeschermingsmiddelen dragen dus ontegensprekelijk bij aan de voedselproductie.”

“Strengere Europese regels hebben ervoor gezorgd dat er de laatste 5 jaar geen nieuwe werkzame stoffen meer erkend zijn. In diezelfde periode zijn er 68 conventionele werkzame stoffen verdwenen. Hiernaast is er geen significante stijging van biogebaseerde middelen geweest.”

Geïntegreerd systeem biedt oplossing

Als oplossing naar de toekomst ziet hij een ‘geïntegreerd’ systeem dat niet enkel meer gebaseerd is op chemische oplossingen, maar dat bestaat uit een combinatie van verschillende technieken, zoals er onder andere zijn: chemische, biologische, mechanische… Er zal volgens de professor een verschuiving komen van chemische technologie naar alternatieve technologieën en methoden door kennisopbouw en opleiding.

Hij wees ook op nieuwe methoden in plantenveredeling, zoals genome editing via Crispr-Cas-techniek. Hierdoor kan er ziekteresistentie ingebouwd worden bij planten. Tevens werd naar precisielandbouw verwezen om gewassen beter te monitoren en om hun gezondheidstoestand beter te evalueren. “Onkruidherkenning en vervolgens pleksgewijs bestrijden liet in proeven al een stevige reductie van het herbicidegebruik zien.”

De conclusie luidde dat we nieuwe technologieën moeten omarmen, maar dat geen enkele technologie alleen dé oplossing zal brengen. “Vele kleine beetjes helpen, onderschat zo het belang niet van vruchtwisseling.” Opleiding en kennis zullen in de toekomst enkel maar in belang stijgen.

Tot slot adviseerde professor Haesaert om nooit je gezond boerenverstand te vergooien én om zorg te dragen voor de bodem. “Is uw bodem niet in orde, dan zal nieuwe technologie ook niet helpen.”

Zijn biomiddelen de toekomst?

Marc Sneyders volgt voor Bayer op Europees niveau het beleid met gewasbeschermingsmiddelen op. Hij was de tweede spreker van de avond en stond stil bij de vraag of biologische middelen de toekomst zijn. Vooreerst verwees ook hij naar het aantal actieve stoffen dat van de markt verdwijnt en naar het krimpend aantal beschikbare middelen. Hij hekelde hier het gegeven dat de regelgever zich baseert op gevaar en niet op risico. Om het risico te berekenen wordt immers het gevaar vermenigvuldigd met de blootstelling.

Hij stelde ook dat de gewasbescherming onder druk staat, doordat we alles kunnen meten. Ter verduidelijking gaf hij aan dat we 1 nanogram kunnen detecteren per kilogram. Dat is het equivalent van 1 mm op 25 maal de omtrek van de aarde.

“Bayer is ook bezig met biologische middelen, waarvan hun werking tevens is vastgesteld in wetgeving. Zij zetten vooral in op biologicals. Dat zijn producten op basis van natuurlijke grondstoffen. Deze maken plantgezondheid mogelijk met een lage impact op het milieu.”

Marc Sneyders legt uit dat biologicals een extra keuzemogelijkheid bieden om gewassen te beschermen. Het is een extra optie voor resistentiemanagement en ze kunnen bijdragen aan een gezondere bodem en aan een sterker wortelgestel. “Kortom, het is een extra mogelijkheid om te voldoen aan de steeds striktere reglementering.” Daarmee sloot het verhaal van Marc Sneyders perfect aan bij de boodschap die professor Haesaert eerder bracht.

Grotere uitdagingen

Hij wees er wel op dat de uitdagingen voor biologicals en biopesticiden groter zijn. Ze vragen meer kennis en aandacht. “In veel gevallen kunnen ze de synthetische producten niet 1 op 1 vervangen en moeten ze in een systeem worden ingezet.” Daarmee ging hij akkoord met wat professor Haesaert eerder stelde. “Hun werking is soms meer afhankelijk van externe factoren, zoals weersomstandigheden met de invloed van licht en temperatuur of nog de impact van de gehanteerde spuittechniek. Op het vlak van herbiciden zijn er vrijwel nog geen oplossingen beschikbaar.”

Samengevat erkende Sneyders dat biologische middelen ‘een’ onderdeel van de gewasbescherming van de toekomst zijn. “Ze zijn een stukje van de puzzel, in combinatie met synthetische middelen, in combinatie met natuurlijke vijanden, in combinatie met rassenkeuze enzomeer.

Voor de verdere ontwikkeling en inzet van biologische gewasbeschermingsmiddelen zal een brede agronomische kennis en ervaring nodig zijn.” Als laatste pijnpunt benoemde hij dat er nood is aan een aangepaste en versnelde toelatingsprocedure voor dergelijke middelen naast financiële stimulansen om de transitie te helpen.

Eigen proefproject uitgerold

Pieter Claeys, productspecialist Smart Farming bij mechanisatiebedrijf Beel, legde tijdens de State of the Union uit hoe precisielandbouw en spot spraying hun weg naar de praktijk vinden. De onderneming rolde hiervoor vorig jaar zelf een proefproject uit, met als doel praktische ervaring op te doen met de verschillende machines en teelttechnieken, om vervolgens hun klanten beter te kunnen adviseren.

Het proefproject startte met een infonamiddag vorige winter, die gevolgd werd door het in kaart brengen van percelen, het scannen van hun bodem , het uitvoeren van dronevluchten, om vervolgens plaatsspecifiek te gaan spuiten en variabel te bemesten.

Waar eerdere waarnemingen aantoonden dat er minder organische stof in de bodem aanwezig was, werd op die plekken meer stalmest gestrooid. Dit gebeurde met een aangepaste stalmeststrooier die een variabele afgifte kon verzekeren, door de snelheid van de bodemketting aan te passen en via weegcellen die de hoeveelheid product constant registreerden. Om de variabele bemesting uit te voeren werd er vooraf een taakkaart aangemaakt op basis van het gemeten organischestofgehalte via een bodemscan.

Doppen aansturen

Pieter Claeys ziet mogelijkheden voor bepaalde producten in de toekomst via rijenbespuiting. Door dopschakeling op de spuitboom kan zo enkel spuitmiddel verdeeld worden in of tussen de rij. Daardoor kan volgens hem tot 60% besparing op middelen gerealiseerd worden en het is een techniek die in combinatie met de schoffelmachine kan. “De impact op het milieu vermindert dus stevig.”

Een andere techniek die hij toelichtte, was spot spraying. “Pulserende doppen gaan hierbij razendsnel open en dicht om gericht middel te doseren. Deze techniek maakt niet enkel pleksgewijze behandeling (spot spraying) mogelijk, maar ook het variabel spuiten en maakt het mogelijk om bochten te compenseren.”

Taakkaarten en/of camera’s kunnen de doppen individueel aansturen, waardoor zelfs tot 95% middelenbesparing mogelijk is volgens Claeys. Tevens daalt hierdoor de impact op het milieu, maar ook de middelenkost en de remming op het gewas. Zo’n techniek kan een oplossing betekenen voor probleemonkruiden of kan net toekomst scheppen voor bepaalde producten.

Voornoemd proefproject zet Beel dit jaar verder. Ze zijn van plan om variabel te gaan bekalken en om opbrengstdata te gaan registreren. Daarnaast zien ze mogelijkheden dankzij de intrede van artificiële intelligentie (AI) in de landbouw. “Dat kan zorgen voor een verbeterde detectie van onkruiden of ziekten in het veld en voor een betere analyse van de verzamelde data.” Tot slot gaf Pieter Claeys mee om nieuwe technieken zeker te omarmen.

Opleidingsaanbod

Wie zich wil bijscholen in nieuwe landbouwtechnieken, kan terecht bij PCLT, het praktijkcentrum voor land- en tuinbouw”, dat benadrukte Bart Vandaele, adjunct directeur bij de start van zijn presentatie. ze bieden het hele jaar door een gevarieerd programma aan in het kader van de fytolicentie. Naast de gekende chemische oplossingen krijgen ook nieuwe ontwikkelingen veel aandacht. Zo is er aandacht voor gecombineerde handelingen zoals schoffelen in combinatie met bespuitingen. Ook cameragestuurde schoffels komen aan bod en de nieuwste wiedeggen, net zoals pulserende doppen en spotspraying.

Daarnaast zet het opleidingscentrum sterk in op opleidingen rond digitale tools. Zeker met de komst van de verplichte digitale facturatie via Peppol in 2026 is een goede voorbereiding essentieel. Ook andere digitale toepassingen, zoals de Inagro gewasbeschermingsapp, de Fyteauscan en de LV-Agrilens-app, worden steeds vaker gebruikt in de sector

Kennisportefeuille

Voor specifieke opleidingsbehoeften rond landbouwmechanisatie, veiligheidsattesten en code 95 biedt PCLT eveneens een uitgebreid aanbod. De Vlaamse overheid ondersteunt deze gerichte opleidingen via de kennisportefeuille, met een terugbetaling tot 70%. Op het E-loket is hiervoor recent een aparte tegel ‘kennisportefeuille’ toegevoegd met alle relevante informatie. Met de kennisportefeuille kunnen landbouwers investeren in zowel vorming als advies. Via een catalogus kan een passende opleiding of advies worden geselecteerd. PCLT biedt een reeks goedgekeurde opleidingen binnen deze regeling. Dit systeem is vergelijkbaar met de bekendere KMO-portefeuille en voorziet een opleidingsbudget van 2.000 euro per actieve landbouwer. Omdat dit budget slechts tot eind 2025 beschikbaar is, is het verstandig om tijdig een doordachte keuze te maken en die te investeren in relevante opleidingen. Voor wie zijn vakbekwaamheid code 95 binnenkort moet vernieuwen, vormt dit alvast een mooie opportuniteit.

Eeuweling

De informatieavond werd afgesloten met een ietwat speciaal moment, tot heden ongekend tijdens de State of the Union. Marc Ballekens gaf aan dat een van zijn eerste toespraken in Asse in 1990 was. Daar leerde hij de 65-jarige Albert Coomans kennen, die net gepensioneerd was als landbouwkundig ingenieur aan het toenmalig federaal ministerie van landbouw. Hij is een boerenzoon uit Asse, de jongste uit een gezin van 5 kinderen en iemand die voorlichter in de landbouw was. Alberts zoon, Dirk, trad nadien in zijn voetsporen, hij werd ook rijkslandbouwkundig ingenieur en voorlichter bij het ministerie.

Tijdens de voordrachten van Marc Ballekens toonde Albert Coomans zich altijd zeer luisterbereid en kon hij over de gebrachte materie nog boeiende vragen stellen. De State of the Union vond eind januari plaats aan de vooravond van Alberts 100ste verjaardag. Het is tot heden de enigste man die tijdens de avond of nacht van de State of the Union 100 jaar werd. Voor die gelegenheid waren er 4 generaties Coomans aanwezig.

Het slotwoord was voor Dirk Coomans. Die concludeerde na de State of the Union dat de donkere wolken boven de landbouw stilaan wegtrekken. “Het gaat de goede weg op. Ga met dit idee naar huis, want hoop doet leven.”

Tim Decoster

Actueel

Voir plus d'articles
Meest gelezen