
Broei in de kuil
Een geslaagd inkuilproces steunt op 3 factoren: voldoende melkzuurbacteriën, voldoende fermenteerbare suikers en een zuurstofvrije omgeving. Als aan deze voorwaarden voldaan is, kan de kuil snel en sterk verzuren, waardoor andere bacteriën, gisten en schimmels geen kans krijgen. De kuil blijft dan stabiel zolang er geen zuurstof bij komt. Dat is de eerste garantie op het voorkomen van broei tijdens de bewaring, maar het beschermt de kuil bovendien ook tegen broei achteraf bij het uitkuilen en vervoederen.
Een verhoogde blootstelling aan zuurstof aan of in de buurt van het kuiloppervlak tijdens het vervoederen kan tot broei leiden. We spreken van broei wanneer de ongewenste gisten, bacteriën en schimmels in een kuil vrij spel krijgen en ongecontroleerd vermeerderen. De temperatuur van het voer stijgt hierbij aanzienlijk. In periodes van hittestress zijn deze risico’s nog groter, omdat deze bacteriën, gisten en schimmels goed gedijen in warme omstandigheden.
De gevolgen van broei zijn niet te onderschatten. Eerst en vooral is er een verlies aan droge stof en nutriënten (vooral suikers en eiwit). Dit verlies kan oplopen tot 20% of zelfs 40%. Bovendien wordt aangenomen dat het voeder ook minder smakelijk is, waardoor de opname daalt. Dit verhoogt het risico op een daling van de melkproductie. Tot slot verhoogt ook het risico op het vermeerderen van potentieel gevaarlijk en/of pathogene micro-organismen (bijvoorbeeld mycotoxine producerende schimmels, Listeria monocytogenes…).
Broeiremmers
Naast optimalisatie van het inkuil- en uitkuilproces, wordt in de praktijk ook steeds meer heil gezocht in het gebruik van broeiremmers. Een broeiremmer is een vloeibaar product dat bestaat uit een mix van organische zuren. Het is speciaal ontwikkeld om broei van ruwvoeders veroorzaakt door gisten, schimmels of enterobacteriën te voorkomen. Door toepassing ervan hoopt men het ruwvoer langer vers te houden en de voedingswaarde te waarborgen. Broeiremmers kunnen gebruikt worden op het kuiloppervlak of ingemengd worden in de ruwvoermengeling.
Onderzoek broeiremmers
In het kader van het demoproject ‘Eerste Hulp Bij Hittestress koe’ werden in de zomer van 2022 op het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) experimenten uitgevoerd met broeiremmers ingemengd in de ruwvoermengeling. In deze experimenten werden 2 verschillende broeiremmers getest.
In deel één van de proef vergeleken we de temperatuur in hoopjes ruwvoeder met en zonder broeiremmer. In elk hoopje werd een temperatuur- logger ingebracht. Ook werd een temperatuurlogger boven de hoopjes aangebracht die de omgevingstemperatuur registreerde. Alle loggers registreerden elk kwartier de temperatuur. Elke 3 dagen werd de positie van de hoopjes gewisseld. Door de temperatuur zo frequent te registreren, kon het ontstaan van broei in de hoopjes in kaart gebracht worden.
Effect op broei
Juli 2022 was in Vlaanderen warm en droog. De temperatuur-humiditeits-index (THI) steeg 8 dagen boven 72 en zelfs 2 dagen boven 76, wat zorgde voor verschillende dagen met hittestress bij runderen. De temperatuursstijging in het voeder bleef beperkt tijdens de eerste dagen van hittestress. De lagere luchtvochtigheid kan hierin een beperkende rol gespeeld hebben. Na enkele opeenvolgende dagen van hittestress werd wel een sterke stijging in de temperatuur van het voeder vastgesteld. Vooral in het onbehandelde voer trad broei op. Eens de omgevingstemperatuur toenam, steeg ook de temperatuur van het onbehandelde voer snel en sterk. In het behandelde voer was de temperatuursverhoging daarentegen (duidelijk) beperkter.
In augustus 2022 kende Vlaanderen een nieuwe periode met hittestress, deze keer met een duidelijk hogere luchtvochtigheid. De THI in de stal wees op een milde hittestress. Het niveau van juli (THI > 76) werd geen enkele keer bereikt. Toch trad er in augustus elke dag broei op in het onbehandelde voer. De temperatuur van het behandelde voer bleef opnieuw aanzienlijk lager.
Effect van de concentratie
Binnen ditzelfde demonstratieproject werd op de Hooibeekhoeve in Geel tijdens de warme periodes een analoge proef uitgevoerd. Gedurende 3 dagen (1 in aug en 2 in sept) werd een mix van organische zuren in verschillende concentraties toegepast in de ruwvoermengeling: zonder broeiremmer, met maximale dosering (2 l/ton), met gehalveerde dosering (1 l/ton) en met een derde van de adviesdosering (0,66 l/ton). De temperatuur in de voerhopen werd opgevolgd en vergeleken aan de hand van temperatuurloggers die gedurende 48 uur elk kwartier de temperatuur registreerden.
Na ongeveer 24 uur kon een sterke stijging in de temperatuur van het voeder vastgesteld worden (figuur 1). In het onbehandelde voer (controle) was dit effect het grootst. Eens de omgevingstemperatuur toenam, steeg ook de temperatuur van het voer zonder broeiremmer snel en sterk. In het voeder met de aanbevolen dosis broeiremmer steeg de temperatuur ook, maar minder snel en minder hoog dan het hoopje zonder broeiremmer en de hoopjes met lagere dosering broeiremmer. Dit effect werd op de 3 verschillende tijdstippen vastgesteld. Bij een lagere dosering dan de aanbevolen dosis broeiremmer bleek het positieve effect van een broeiremmer dus beduidend lager.