Vorige maand organiseerde Mo* magazine een debat rond schaalvergroting, en het “uitsterven van de boer”, zoals het de terugval van het aantal landbouwers wereldwijd noemt. Een oplossing ziet het magazine in agro-ecologie, het onderwerp van een soortgelijk Mo*-debat vorig jaar. Samen bieden de sprekers een mooi overzicht van de voedselproductie die mogelijk is mét en zonder technologie.
Meer voedsel nodig
Na de Tweede Wereldoorlog maakte het westen de klik: geen honger meer. De voedselproductie moest omhoog. De overheid ging schaalvergroting en technologie prediken, terwijl de wetenschap op de proppen kwam met de ene na de andere slimme uitvinding. Pientere ondernemers brachten die tot bij de boeren.
Die zagen hun machinepark gestaag uitbreiden. Ze genoten van de onweerlegbare voordelen van kunstmest en naar opbrengst veredeld zaaizaad, van de efficiëntie van pesticiden en de snelheid van mechanische bodembewerking.
Zegen en vloek
Stilaan toont ook die andere kant van de vooruitgang zich: uitspoeling van stikstof, bodemerosie en -verdichting, resistentie bij ziekten, plagen en onkruiden stellen landbouwers voor problemen. Bovendien leiden grote investeringen tot een verstikkende schuldenlast.
Tezelfdertijd ontdekte de maatschappij dat toevallige opname van pesticiden niet zonder risico is, dat de productie van kunstmest en het draaiende houden van het machinepark bijdraagt aan de verandering van het klimaat - met de nodige rampspoed tot gevolg - en dat verslempte bodems geen modderstromen tegenhouden.
Ramp op komst
“De ene na de andere crisis steekt de kop op: klimaatcrisis, landbouwprijzencrisis, voedselcrisis, financiële crisis ... Als we voortdoen zoals we bezig zijn, dan vrees ik voor de toekomst”, stelt professor Marjolein Visser, die agro-ecologie doceert aan de Brusselse universiteit ULB.
Zij baseert zich onder meer op de grafieken van ‘The Great Acceleration’, een internationaal onderzoeksrapport, waarin je duidelijk ziet hoe het effect van de mens op de aarde sinds 1950 spectaculair is toegenomen. Aangroei van de wereldbevolking, watergebruik, energieverbruik, uitstoot van CO2, verzuring van de oceaan, verlies aan tropisch woud... Al die curves gaan steil omhoog na 1950, de start van de productiviteitsomwenteling in de landbouw, luttele jaren na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Visser besluit daaruit dat we afstevenen op de ultieme crisis.
Twee wegen
Volgens Peter Van Bossuyt, bij Boerenbond directeur van de studiedienst, zijn we echter een bocht aan het nemen, weg van die onheilspellende curves. “Dat gebeurt in twee richtingen: door duurzaam te intensiveren, of door je terug te plooien op je eigen omgeving. Je verwerkt dan je eigen producten en trekt zelf naar de markt. Dat is zeker niet minder arbeidsintensief: het kost je zeker ook 60 uur per week”, weidt hij uit.
“Die ‘terugplooiers’ zijn waardevol, maar alleen gaan ze de wereld niet voeden. In 2050 lopen er 10 miljard mensen rond op deze aardbol. De meeste consumenten gaan bovendien niet tot bij de boer. Die verkiezen de supermarkt”, voegt hij toe. “Volgens mij ligt het antwoord in diversificatie, waarbij sommige landbouwers zich richten tot de supermarkten, en een ander zijn klanten tot op het erf, of zelfs tot op het veld laat komen.”
De prijs
van technologieNaast de korte keten, zoals Community Supported Agriculture (CSA) ziet Van Bossuyt ook heil in hoogtechnologische oplossingen voor duurzame intensivering, zoals smart farming of containerlandbouw. Zo ook Tessa Avermaete, bio-econoom aan de KULeuven: “Grootschalige boeren die werken met GPS gebruiken geen drupje pesticide teveel. En technologie maakt het mogelijk om in Afrika, bijvoorbeeld, voor voedselveiligheid te zorgen.”
Dat doet Visser meteen opveren: “Wat steeds terug komt is ons geloof in technologie als de oplossing van alles. Maar technologie heeft een prijs: het kost energie, veroorzaakt vervuiling en vraagt handenvol geld. De meeste landbouwbedrijven zitten tot over hun oren in de schulden. Ze steken zich nog sterker in de schulden om met de nieuwe technologie mee te zijn.”
Agro-ecologie
“Minder technologie vraagt meer menselijke arbeid, maar kost niet meer energie. Als je het in Joule, de standaard eenheid voor energie, bekijkt, dan zie je dat er belachelijk veel energie uit fossiele brandstof naar voedselproductie gaat. Geen enkel land legt fossiele brandstoffen meer accijnzen op dan menselijke energie. Ik vrees dat we daarvoor eerst tot een ernstige crisis moeten komen. We moeten af van het idee dat meer technologie beter is. Maar in plaats daarvan blijven we excuses zoeken. Nee, we moeten avontuurlijk zijn.”
Visser denkt daarbij aan agro-ecologische technieken als roterend grazen en agroforestry of boslandbouw. Maar die zijn niet vanzelfsprekend voor de landbouwers hier. “Ze zijn het ontleerd. Het systeem in Vlaanderen werkt er tegen. Zo kunnen de grote machines niet tussen de bomenrijen, bijvoorbeeld. In pachtcontracten staat doorgaans ook niets vermeld over bomen.”
“Zo zijn er een heel aantal lock-ins die maken dat het heel moeilijk wordt om ermee aan de slag te gaan. Vergelijk het met bedrijfsblindheid. Landbouwers zien geen alternatieven”, beschrijft Visser. Avermaete maakt zich sterk dat ook grote, conventionele boeren tegenwoordig aan de slag gaan met agroforestry.
Kennis via dialoog
Om landbouwers te bevrijden van die blindheid is een herwaardering van de expertise van de landbouwer nodig, volgens Visser: “Wetenschappers moeten uit de eigen kringen treden en dialogeren met de mensen op het veld, die de ervaring hebben. In agro-ecologie gaat het om cocreatie van kennis, via dialoog.” Verder vindt de professor dat ook de zachte wetenschappers, zoals sociologen, een rol te vervullen hebben in de landbouw.
Daar gaat Avermaete volmondig mee akkoord. “De wetenschappelijke basis is zeer belangrijk, of die nu uit de harde of de zachte wetenschap komt. Verstaanbaar spreken tegen elkaar, in overleg rond dezelfde tafel, is van groot belang. Ook Europa is zich daarvan bewust, en eist dat ook landbouwers betrokken zijn bij de innovatieprojecten die ze financiert.”
Hoe moet het verder?
“We moeten kleine stapjes zetten, en niet meteen alle technologie overboord gooien. Ik denk dat er wel degelijk ruimte is voor diversiteit”, besluit Avermaete. Rond educatie werken vindt ze uiterst belangrijk. “Op school zie je waar de pijnpunten liggen, daar kan je de zaden leggen voor later. Er zijn jonge mensen die enthousiast bezig zijn met landbouw, ook grootschalige, die hun beroep met veel goesting doen, maar die zie je niet in de media.”
“Op bijvoorbeeld een CSA-bedrijf vind je veel meer dan alleen maar voedsel: gezelligheid, smaken waar je enthousiast van wordt, nieuwe ontmoetingen ... We moeten van onderuit werken, en ons niet vermoeien met vechten op beleidsniveau. Het is leuk, het is genieten, maar het verspreidt zich”, weet Visser. “Het aandeel CSA-bedrijven is pietluttig in Vlaanderen, maar je mag het inspirerend effect niet verwaarlozen”, stemt Avermaete in. Zij blikt eveneens terug in deze blogpost.
Tijdens het Mo*-debat over agro-ecologie getuigde Tijs Boelens vanuit de praktijk. Hij teelt samen met een vriend biologische groenten op een bescheiden tuinbouwbedrijf in het Pajottenland: De Groentelaar. Hun producten leveren ze direct: aan restaurants, winkels en verdeelconcepten in het Brusselse. Hij volgt het scenario van het ‘terugplooien’.
“Het zijn de kleine bedrijven die terugplooien”, steekt hij van wal. “Ze kunnen zich de zware investeringen in duurzame technologie niet veroorloven. Het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek ILVO stelt bijvoorbeeld zeer kostintensieve oplossingen voor om stallen emissie-arm te maken. Zo’n dingen zijn eerder weggelegd voor de grote bedrijven. Als je klein bent ontvang je minder VLIF-steun. Op die manier blokt Vlaanderen de beweging naar agro-ecologie echt af.”
Het gevolg is dat de werklast voor Tijs erg hoog is. “Die 60 uur is een understatement”, verwijst hij naar het betoog van Van Bossuyt (zie hoofdartikel). Hij startte vanuit het niets, op een stukje landbouwgrond van 20 are. Intussen is het bedrijf meer dan 5 ha groot. Hij heeft uitbreidingsplannen, maar vindt het erg moeilijk om aan nieuwe gronden te geraken.
Die beperkte oppervlakte heeft hij kunnen opvangen door voor biologische, hoogwaardige teelten te kiezen, en voor een afzetsysteem dat hem een eerlijke prijs garandeert. “Je werkt hard, maar je krijgt ook respect. Wij houden ons hoofd boven water omdat we idealistisch zijn én een deftig businessplan hebben”, stelt hij.
Het economische plaatje is erg belangrijk voor hem. Veel landbouwers uit de buurt verslikten zich in de melkcrisis, vertelt hij. “Ik boer in een regio met veel melkveehouders. Het beleid moedigde hen actief aan om zwaar te investeren in productieverhoging. ‘Melk is het witte goud’, dat stond letterlijk te lezen in Boer en Tuinder. Schouderklopjes voor die jongeren. Toen hebben ze de markt vrij gemaakt. Jonge boeren kunnen hun schulden niet afbetalen, en zijn hun vastgoed kwijt. Familiale grond die naar de financiële sector gaat. Dat zijn drama’s.”
Het raakt Tijs overduidelijk. “Ik heb ongelooflijk veel respect voor alle generaties boeren die voor mij zijn gekomen. De boeren uit mijn dorp draag ik een warm hart toe. Ik heb teveel boeren zien failliet gaan en verdwijnen.”
Toch blijft hij niet bij de pakken zitten. “Je ziet dat er veel jongeren poeier hebben om hun bedrijf voor te doen. We wisselen onderling veel tips uit, over boekhouding, efficiëntie maar ook om kringlopen te sluiten. Boeren weten heel goed waarom ze wat doen. Daar moeten wetenschappers meer mee doen.”
Meer informatie vindt u op www.degroentelaar.be.
De Leuvense landbouwer Tom Troonbeeckx concentreerde zich tijdens het recentste Mo*-debat op het economische model achter zijn landbouwbedrijf. Hij stopte met zijn eigen zelfoogstboerderij, Het Open Veld, om op te gaan in de Boerencompagnie. Die coöperatie werkt volgens de CSA-principes (Community Supported Agriculture, of landbouw gesteund door een gemeenschap van consumenten). Op het bedrijf telen de drie boeren-coöperanten groenten, kersen, zelfoogstbloemen en oude graangewassen. Recent kwam daar nog veeteelt bij.
“Ik heb even veel boeken gelezen over economie als over landbouw,” lacht Tom, “en ik heb daar zo mijn ideeën over. Het familiale landbouwbedrijf is volgens mij niet de ondernemingsvorm van de toekomst. Dat is de coöperatie. Op die manier werken kan op vele niveaus, zowel groot als klein”, voegt hij er nog aan toe.
Hij haalt vooral de intense relatie met de consumenten aan als sterk punt. Die bezorgt beide partijen voordelen. “In een coöperatief landbouwsysteem is de consument zelf controleur. Wij kunnen met onze leden ethisch reflecteren en zoeken naar wat werkt, en wat niet. Ik geef heel mijn markt zelf vorm. Dat is het geniale aan CSA.”
Daar zijn natuurlijk grenzen aan, beseft hij. “Leden betalen gemiddeld € 285 per jaar per volwassene voor de groenten. Dat hebben we nodig om rendabel te blijven. Ik zit niet op een eiland: ik kan niet drie keer zo duur worden als de supermarkt.”
Hij betreurt daarbij dat true cost accounting, het in rekening brengen van alle kosten voor de maatschappij, nog geen ingang heeft gevonden in ons voedselsysteem: “Wat kost voedsel echt? Welk effect is er op lonen, ecologie, gezondheid, tewerkstelling enzovoorts? Het effect van gezonde voeding op ziekteverzuim bijvoorbeeld spreekt boekdelen. Als dat soort dingen in rekening wordt gebracht, zijn wij met voorsprong de goedkoopste.”
In die geest klaagt hij ook de subsidiepolitiek aan. “Moest ik minister van Landbouw zijn, dan werd koolstof mijn speerpunt. Wie dat kan capteren in zijn bodems, die krijgt subsidie. Onlangs konden we grond overnemen van een gepensioneerde kleinschalige landbouwer. Die bevatte 5 % humus. Een droom in vergelijking met de 1,3 % humus in de gemiddelde bodem die wij overnemen. Rampzalig. Je zou er als boer geld bij moeten krijgen.”
Tom maakt gewag van een 55-tal CSA-bedrijven in België, met een 80-tal boeren en zo’n 7.000 leden. “CSA is een beweging, een netwerk van boeren, gerund door boeren die ook nog hard werken op hun bedrijf. Meer ondersteuning zou een snellere vooruitgang betekenen, net als het losser maken van de rem op toegang tot landbouwgrond.”
U leest meer op