Ammoniakuitstoot van belang bij aanvraag omgevingsvergunning schapen- en geitenbedrijven
De stikstofemissieproblematiek heeft de afgelopen jaren de Vlaamse politiek flink beheerst. In maart 2023 werd de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) goedgekeurd en de afspraken werden verder geconcretiseerd in het stikstofdecreet, dat op 22 februari 2024 in het Belgisch Staatsblad verscheen. Wat betekent dit nu concreet en, meer specifiek, wat zijn de gevolgen ervan voor schapen- en geitenbedrijven?

Stikstof op zich is niet schadelijk, want 78% van onze ingeademde lucht is stikstof. De stikstofverbindingen ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx), zijn echter wél schadelijk. Een teveel aan stikstofverbindingen in de lucht is schadelijk voor de natuur, waar deze stikstofverbindingen neervallen, en/of ook voor de menselijke gezondheid en/of de klimaatopwarming.
Natuurherstel
Europa heeft al heel lang habitatrichtlijngebieden vastgelegd, waar men de natuur wil behouden en herstellen. Daarnaast zijn er ook vogelrichtlijngebieden, waar specifieke eisen gesteld worden. Omwille van de dringende nood aan natuurherstel, onder andere van plantensoorten (zoals heide) die niet overweg kunnen met een teveel aan stikstof, wil men de stikstofneerslag of -depositie in die gebieden naar omlaag halen.
Ammoniak is een verbinding tussen stikstof en waterstof die vooral vrijkomt uit mest in veestallen en mestopslagplaatsen, uit kunstmeststoffen en wanneer mest uitgereden en verwerkt wordt. NOx komt in de lucht via het verkeer, de industrie en de verbranding (verwarming van gebouwen). Vlaanderen heeft, net als Nederland, een beperkte oppervlakte met veel mensen, veel activiteit, veel veeteelt en daartussen nog stukken natuur, die men wil beschermen of herstellen. Dit is geen evidentie, temeer omdat de kleine helft van de stikstofverbindingen in onze lucht uit het buitenland komt aanwaaien.
Uit deze korte probleemstelling zal duidelijk zijn dat, als men de NH3-emissie wil aanpakken in Vlaanderen, de veehouderij volop in beeld komt.
Verplichte reductie van ammoniakemissie voor veehouderij
Voor de grote veesectoren – runderen, varkens en pluimvee – zijn in het stikstofdecreet de te behalen reducties van ammoniakemissie in de komende jaren vastgelegd. De referentie (=100%) is daarbij het jaar 2021 (totale emissie = gemiddeld aantal dieren x emissiefactor (kg NH3 per dierplaats)). En zo moet een melkveebedrijf al 5% van zijn NH3-emissies reduceren tegen eind 2025 en moet er 25% reductie zijn ten opzichte van 2021 tegen eind 2030.
Elk bedrijf krijgt een zogenaamde PAS-referentie 2030. Je kan deze verplichte reductie realiseren door minder dieren te gaan houden of door bepaalde maatregelen toe te passen die de ammoniak uitstoot reduceren. Per diersoort worden deze ‘PAS’-maatregelen in een lijst opgenomen met reductiepercentage na grondig onderzoek en na goedkeuring door een speciale commissie (WeComV). En belangrijk: voor elk rundvee-, varkens- of pluimveebedrijf moet tegen begin 2030 de omgevingsvergunning (inclusief de toegepaste PAS-technieken en meegaande reductiepercentages) worden aangepast en goedgekeurd.
Gevolgen van stikstofdecreet voor schapen- en geitenbedrijven
Voor schapen- en geitenbedrijven is er geen verplichte reductie van ammoniakemissies tegen 2030. De ammoniakuitstoot is wel belangrijk bij het aanvragen van een nieuwe omgevingsvergunning. De ammoniakuitstoot (= emissiefactor) in kg NH3 per dierplaats per jaar kun je zien in de tabel die bij dit artikel staat. De totale uitstoot is dus de som van het aantal dierplaatsen per categorie, te vermenigvuldigen met hun respectievelijke emissiefactor.
Bij een vernieuwing van de vergunning of bij een nieuwe vergunningsaanvraag moet de impactscore berekend worden van alle dieren op het bedrijf op de dichtbijgelegen natuur (de speciale beschermingszones in de habitatrichtlijngebieden of SBZ-H) in de omgeving. De impactscore is de procentuele bijdrage van de exploitatie aan de kritische depositiewaarde (KDW, de hoeveelheid stikstof die daar neervalt) in een bepaald beschermd gebied. Een kritische grenswaarde is de maximaal toelaatbare milieudruk per eenheid van oppervlakte die een bepaald habitattype of leefgebied kan verdragen zonder dat het er hinder van ondervindt.
Berekening van impactscore
Concreet betekent dit dat bij een vergunningsaanvraag in een eerste fase nagegaan wordt wat de impactscore is van de aangevraagde vergunning. Is die lager of gelijk aan de drempelwaarde van 0,025%, dan zal er geen passende beoordeling moeten worden toegevoegd aan het aanvraagdossier. De impactscore van jouw bedrijf kan worden berekend met behulp van de online tool (https://impactscore.omgeving.vlaanderen.be). Bedrijven met een impactscore lager dan 0,025% kunnen uitbreiden of meer dieren houden tot de impactscore van 0,025% is bereikt. Indien de impactscore hoger is dan 0,025% dan zal een passende beoordeling toegevoegd moeten worden aan het aanvraagdossier.
In alle gevallen moet de impactscore van de aanvraag lager dan 50% zijn. Wanneer het gaat over een loutere hernieuwing van de huidige vergunning en wanneer er geen depositiestijging is, kan de veehouder een gunstige passende beoordeling krijgen. Een mogelijke depositiestijging zou kunnen optreden wanneer er meer dieren worden aangevraagd, of wanneer er een verplaatsing is van dieren, of wanneer de uitstootpunten gewijzigd zijn ten opzichte van de huidige vergunde situatie.
Hoe gunstige passende beoordeling krijgen bij bedrijfsuitbreiding?
Bij een uitbreiding van de stikstofemissies, de opstart van een nieuw bedrijf of bij een stijging van de deposities kan enkel een gunstige passende beoordeling worden verkregen wanneer kan worden aangetoond dat de gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend niet gehypothekeerd wordt. Ook hier kan geen vergunning worden afgeleverd als de impactscore hoger dan 50% zou zijn. In verstaanbaar Nederlands betekent dit dat bedrijfsuitbreiding een verdere verbetering (= verlaging) van de stikstofneerslag in een beschermingszone niet mag verstoren. Heel specifiek is natuurlijk dat schapen nogal eens ingezet worden voor natuurbeheer en dat schapenhouderijen dus heel dicht aanleunen bij natuurgebieden. Dat kan de impact op de onmiddellijke (natuur)omgeving uiteraard sterk verhogen en de vergunningssituatie bemoeilijken.
Geen blanco cheque voor toekomst
Uit al het voorgaande blijkt dat schapen- en geitenbedrijven geen blanco cheque krijgen voor de toekomst en dat toekomstige groei kan worden geremd of dat zelfs het aantal dieren zal moeten worden ingekrompen. Dit risico is momenteel overduidelijk, omdat momenteel slechts één maatregel voor schapen en geiten in de PAS-lijst is opgenomen, namelijk voor vleesgeiten. Er is met andere woorden momenteel voor schapen- en melkgeitenbedrijven geen enkele maatregel aanvaard, die zou kunnen worden ingeroepen om de NH3-emissies te verlagen en om de impactscore te verbeteren.
Daarom hebben de vzw Vlaamse Schapenhouderij (VSH) en Animal Welfare Solutions een nieuw demoproject aangevraagd en gekregen om voor melkschapen- en melkgeitenbedrijven de reductiemogelijkheden van nabij te bestuderen om stappen te zetten naar opname van bepaalde maatregelen voor deze bedrijfstypes in de PAS-lijst.
Demoproject ‘Een toekomstbestendige melkgeiten- en melkschapenhouderij. Het kan!’
Het demoproject ‘Een toekomstbestendige melkgeiten- en melkschapenhouderij. Het kan!’ wordt gefinancierd door Vlaanderen en Europa en loopt gedurende 2 jaar. Dit project focust zich op de professionele sector van melkgeiten en -schapen, die in de recente jaren sterk is geïntensifieerd door de toename van het aantal dieren per bedrijf en het type huisvesting (stalhuisvesting). Momenteel zijn, zoals gezegd, de bedrijven in deze sector niet verplicht om hun stikstofemissie te reduceren. De normen kunnen echter verstrengen en er worden in de PAS-lijst geen stikstofemissiereducerende maatregelen voor melkgeiten- en melkschapenbedrijven vermeld. Bovendien zal elke nieuwe vergunningsaanvraag, ook voor bedrijven met geiten en schapen, op stikstofuitstoot worden beoordeeld.
Technieken aanreiken om ammoniakemissie te beperken
De projectpartners willen de professionele melkgeiten- en melkschapenhouders informeren en sensibiliseren via onder andere discussiemeetings, webinars, studiereizen, het verspreiden van nieuwsbrieven, een brochure en een praktijkdag. Ze willen hen hiermee ook haalbare technieken aanreiken waarmee ze hun ammoniakemissie kunnen beperken.
Het is belangrijk dat er ook voor deze bedrijfstypes beloftevolle PAS-maatregelen in beeld komen en dat de procedure voor evaluatie en opname in de PAS-lijst kan worden opgestart. Voor melkschapen, en zeker voor melkgeiten, wordt hier in de eerste orde gekeken naar technieken die al in de melkveehouderij erkend zijn. Tegelijk richten ze hun blik ook op buitenlandse ervaringen. Het warm water moet geen 3 keer worden uitgevonden. Het is evenzeer belangrijk dat ervaringen met bepaalde technieken tussen bedrijven gedeeld worden en dat technieken zo verder geoptimaliseerd kunnen worden. Specifiek voor melkschapen en melkgeiten is bijvoorbeeld dat men hier eerder huisvesting in ingestrooide stallen heeft en niet op rooster, wat voor emissies de vergelijking met melkvee bemoeilijkt.
Om ammoniakemissie te reduceren kan er in diverse richtingen worden gekeken: het dier (genetische verschillen), de stal (vloer, mestkelder, scheiden urine/mest, ventilatie, luchtwassing, verneveling…), de samenstelling van ruwvoeder en krachtvoeder (soort eiwit, hoeveelheid eiwit…), het bedrijfsmanagement (weidegang, ureum in de melk, gebruik zeoliet, micro-organismen…). Waardevolle technieken moeten echter nadien nog grondig onderzocht en bemeten worden, en dat kost tijd en (veel) geld. Maar we moeten ervoor gaan.
In het kader van dit project worden ook geïnteresseerde bedrijven gezocht in de schapen- (ook vleesschapen) en geitensector om intens mee samen te werken om stappen vooruit te zetten. Geïnteresseerden kunnen zich melden via info@vsh.be.
Besluit
Melkschapen- en melkgeitenbedrijven lijken in eerste orde de dans te ontspringen wat toepassing van maatregelen voor reductie van ammoniakemissies betreft. Bij een nieuwe omgevingsvergunning kan de kat echter op de koord komen. Het erkend krijgen van maatregelen die de emissies beperken is ook hier een must om overleving en groei mogelijk te maken. En daar willen we vanuit het demoproject ten volle aan meewerken. Vooruit met de geit!
We veroorloven ons ook nog deze slotbemerking. Ons beleid benadert de diverse problematieken nogal fragmentair en ongecoördineerd: de ene wil de ammoniakemissie naar beneden ter bescherming van de natuur, de andere wil de methaanuitstoot naar beneden omwille van de klimaatopwarming en de derde wil nog iets anders omwille van dierenwelzijn. Waarom geen gecoördineerde en globale aanpak van al deze aspecten? Dier, mens en wereld zouden er globaal beter van worden.