Startpagina Overdraagbare ziekten

Animal Health Europe geeft kijkje achter de schermen van de farma-industrie

Op Agriflanders staan veel bedrijven met een focus op diergezondheid, een onderwerp dat ook veehouders nauw aan het hart ligt. Met de actualiteit in het achterhoofd – IBR, blauwtong, MKZ – gingen we te raden bij Animal Health Europe.

Leestijd : 8 min

Elke veehouder komt in aanraking met de farmaceutische industrie. Ze verzorgen hun vee met medicijnen wanneer ze ziek zijn, of dienen vaccins toe om dit te voorkomen.

Om de uitbraak van blauwtong serotype 3 in te dijken, werden 3 vaccins tijdelijk toegelaten. Deze vaccins waren echter niet onbesproken.

Hoog tijd om met de farma-industrie zelf te praten, in de persoon van Roxane Feller en David John van Animal Health Europe. Deze organisatie vertegenwoordigt de belangen van de farmaceutische sector op internationaal niveau en brengt heel wat nationale belangenorganisaties – zoals Pharma.be in België – samen. Maar ook de 12 grootste farmabedrijven die diergeneesmiddelen produceren zijn lid van Animal Health Europe.

Al snel kwamen er vaccins voor blauwtong serotype 3 (BTV3) op de markt. Hoe lang duurt het normaal gezien om een vaccin te ontwikkelen?

David John: De ontwikkelingsduur voor een vaccin is zeer variabel en hangt van verschillende factoren af. Voor de doorsnee landbouwdieren – runderen, varkens en pluimvee – duurt het gemiddeld 5 tot 10 jaar om een vaccin te onderzoeken, ontwikkelen en op de markt te brengen.

Maar eerst moet het vaccin nog goedgekeurd worden door de overheid, in de meeste gevallen de European Medicines Agency (EMA). Een vergunning krijgen kost nog eens 1 tot 2 jaar bovenop de ontwikkelingsduur.

In totaal duurt het ontwikkelen van een vaccin voor dierziektes dus 7 tot 12 jaar, met een kostenplaatje van rond de 20 miljoen euro voor een farmaceutisch bedrijf. Zowel kosten als duurtijd stijgen echter, en zijn ook afhankelijk van een hele resem variabelen. De ontwikkeling van sommige vaccins kunnen nog langer duren dan deze inschatting.

Waarom is dat zo?

John: Een probleem bij bepaalde ziektes is antigene drift (n.v.d.r. het fenomeen waarbij een virus van genetische samenstelling verandert door opeenvolgende mutaties). Vaccins bestaan tegen een bepaald serotype of stam van een virus. Plotseling komt er echter een nieuwe versie op waartegen nog geen vaccins bestaan.

Tot een bepaald punt zullen de oude vaccins nog werken, maar als het virus zich ver genoeg kan ontwikkelen van de oude stam, beschermen de bestaande vaccins niet meer zo goed, en moet er opnieuw begonnen worden. Een vergelijkbaar fenomeen zag je ook bij alle verschillende soorten Covid en de ontwikkeling van telkens nieuwe vaccins. Bij virussen die snel muteren, kan dit zelfs al gebeuren terwijl vaccins nog ontwikkeld worden. Die zijn plots outdated en de ontwikkeling staat terug bij af.

Roxane Feller: Farmabedrijven kampen ook met de complexiteit van de regelgeving. Kwaliteits-, veiligheids- en effectiviteitseisen voor diergeneesmiddelen zijn minstens even, mogelijk nog meer, streng dan die voor geneesmiddelen bedoeld voor de mens.

De EMA waakt immers over het proces voor beide. Daarnaast zijn vee niet alleen patiënten, maar ook voedselproducerende dieren die naar de voedselketen gaan. De vaccins moeten daarom veilig zijn voor én het dier, én de consument.

Drie wensen

Wat kunnen beleidsmakers doen om de ontwikkeling van vaccins te versnellen?

Feller: Onze sector heeft 3 dingen nodig. Om te beginnen willen we zo vroeg mogelijk op de hoogte gebracht worden van opkomende dierziektes. Daarvoor is regelmatige dialoog met Chief Veterinary Officers (CVO) nodig. Zij nemen de beslissing voor een land om te vaccineren (n.v.d.r. in België is dit de bevoegdheid van het FAVV).

De CVO’s van verschillende Europese landen staan constant met elkaar in contact en komen dus vroeg of laat te weten of er een nieuwe ziekte op komst is. Met deze informatie kan onze sector de behoefte aan een nieuw vaccin beter anticiperen.

John: BTV-3 kwam als een verrassing voor Nederland, maar de verspreiding van dierziekten zoals Nodulaire dermatose (LSD) houden we al 30 jaar in de gaten. Pas toen deze ziekte via Griekenland de Unie binnendrong, kwam de Commissie vragen achter een vaccin. Als op voorhand die dialoog plaatsgevonden had, konden we ons organiseren voordat de ziekte zich hier verspreidde.

Feller: Ten tweede vragen we meer coördinatie tussen Europese lidstaten. Voor bepaalde dierziektes mag een land op eigen houtje beslissingen nemen, maar vectorziekten zoals blauwtong houden geen rekening met landsgrenzen. Dan heeft het geen zin dat Nederland al maatregelen neemt, terwijl België nog 3 maanden wacht. Vectorziekten vragen een gecoördineerde Europese aanpak. Daar willen wij als organisatie ook gerust aan bijdragen.

Tenslotte lopen de farmabedrijven veel risico wanneer ze op vraag van landen een vaccin ontwikkelen, zonder de garantie dat landbouwers weldegelijk gaan vaccineren. Vaccinatie tegen BTV-3 was deze keer bijvoorbeeld niet verplicht. De marge op een dier is echter vaak zo klein voor een veehouder, dat vaccineren de sop van de kool niet waard is.

De ontwikkeling van vaccins kost farmabedrijven veel geld, en ze moeten er ook plaats voor maken in de productielijnen. Als maar weinig boeren ervoor kiezen hun dieren te vaccineren, dreigen de farmabedrijven veel geld te verliezen. We vragen dan ook dat lidstaten een deel van dat risico op zich nemen, bijvoorbeeld door ons op voorhand te betalen.

David John en Roxane Feller van belangenorganisatie Animal Health Europe.
David John en Roxane Feller van belangenorganisatie Animal Health Europe. - Foto: Animal Health Europe

Blauwtong

De snelheid waarmee BTV-3 vaccins op de markt kwamen, lijkt dan eerder een uitzonderlijke situatie. Wat was er anders?

John: Normaal gezien moet in een vroege fase een virus eerst gevonden en geïsoleerd worden. Onderzoekers brengen dan de structuur ervan in kaart om op zoek te gaan naar de specifieke delen van het virus – een antigeen – die een immuunrespons bij de dieren kan opwekken. Dat kan een tijdje duren.

In het geval van BTV-3 bestaan er echter al vaccins voor andere serotypes van het blauwtongvirus – serotypes 1, 2, 4 en 8. De Farmaceutische sector had dus al ervaring met het virus, en wisten welke delen ervan een immuunrespons kunnen veroorzaken. Op zijn minst 2 bedrijven hadden ook het specifieke BTV-3 virus al geïsoleerd. Zij startten met een voorsprong, een groot deel van het werk was al gedaan.

Aan de andere kant heb je dierenziektes zoals de Afrikaanse Varkenspest. Al 50 jaar zijn de farmaceutische sector, universiteiten en onderzoeksinstituten op zoek naar een werkend vaccin. Nu pas komen er her en der doorbraak in de zaak.

Het duurde zo lang omdat AVP een zeer complex virus is dat op verschillende manieren de afweer van het lichaam kan ontwijken. AVP is ook zo besmettelijk dat een laboratorium met een streng genoeg bioveiligheidsniveau – in dit geval niveau 3, terwijl niveau 4 de strengste is – nodig is. Daar zijn er wereldwijd maar een beperkt aantal van die vee kunnen nemen, waardoor bedrijven moeite hebben met er plaats te vinden.

Zag de regulerende overheid ook af van een aantal wettelijke vereisten?

John: De Europese wetgeving zegt dat lidstaten in noodgevallen vaccins mogen toelaten op hun grondgebied, tot er een officieel goedgekeurd vaccin beschikbaar komt. Zo’n noodvaccin ontwikkelen betekent ook extra risico voor bedrijven. Wanneer andere bedrijven een officieel vaccin goedgekeurd krijgen, worden de noodvaccins van de markt gehaald.

Tot op een zeker punt geldt het principe: hoe dringender de overheid de vaccins willen, hoe pragmatischer ze zullen zijn over de vereisten. In de praktijk zal snel genoeg door gebruik in het veld duidelijk worden hoe doeltreffend de vaccins zijn. Er zal wel altijd rekening gehouden worden met minimumvereisten, en veiligheid blijft belangrijk.

Hoe staat het met de ontwikkeling van volwaardige vaccins voor BTV-3?

John: Om het simpelweg te zeggen, we weten het niet. Die informatie ligt commercieel gevoelig. De bedrijven delen dat zelfs niet met ons. We gaan ervan uit dat die bedrijven die er al een hebben, werken aan een BTV-3 vaccin met volledige autorisatie. Maar geen idee dus hoe ver zij staan in dit proces.

Maar er kunnen dus ook kapers op de kust zijn?

John: Andere bedrijven, die niet eerst een noodvaccin maakten, kunnen gebruik maken van die tijd om een voorsprong te kweken. Maar ook hier weten we het eigenlijk niet zeker. Deze informatie delen ze niet met ons of elkaar. Deze bedrijven blijven in se concurrenten van elkaar.

Uit een survey van DGZ blijkt dat iets minder dan de helft van de deelnemende veehouders vaccineerde tegen blauwtong. De reacties over de effectiviteit van deze vaccins waren ook verdeeld. Waarom zo weinig?

John: Hoe goed een vaccin werkt, hangt af van het moment van vaccinatie. Om volledig beschermd te zijn, moet er in dit geval minstens 2 of 3 weken tussen vaccinatie en infectie zitten. Dat is echter zeer moeilijk te controleren bij een vectorziekte die de ronde gaat. De dieren van de veehouders in kwestie hadden waarschijnlijk hun immuunrespons nog niet volledig ontwikkeld, en werden ondanks hun vaccinatiestatus ziek.

Bepaalde dieren reageren ook niet zo goed op een vaccin. Voldoende dieren moeten dan ook gevaccineerd worden om collectieve of kudde immuniteit te krijgen. Pas dan zullen genoeg dieren beschermd zijn tegen een virus, dat die langzaam verdwijnt.

Los van deze mogelijke verklarinen, blijven de farmaceutische bedrijven vertrouwen hebben in hun vaccins. Tijdens noodsituaties laten ze immers niet de riem, maar eerder de bretellen achterwegen. Alle vereisten voor een goed en veilig vaccin werden nog steeds in acht genomen.

Hoe kunnen we dat gebrek aan vertrouwen dan bestrijden?

John: Wanneer het vertrouwen beschadigd is, zal het zeer moeilijk zijn om die terug te winnen. Positieve boodschappen – de vaccins zijn doeltreffend en blijven verbeterd worden – en verklaringen zullen wel van de overheid en dierenartsen moeten komen.

Feller: Als die boodschap van ons komt, zullen ze natuurlijk zeggen dat we bevooroordeeld zijn (lacht). We lijken niet echt objectief.

Onze leden willen natuurlijk ook niet het risico lopen producten die niet werken op de markt te brengen. Zelfs tijdens noodsituaties houden ze zich dan ook aan alle wettelijke restricties. Nadien volgen deze bedrijven eventuele bijwerkingen tijdens en na gebruk ook nog op.

John: Dieren worden dankzij een vaccin ook niet per se niet ziek, maar wel minder hard ziek. Sterfgevallen die er anders wel zouden zijn, worden ook vermeden. Moeilijk echter om dan aan te tonen dat vaccins wel degelijk een effect hadden. We weten niet hoe erg de situatie zou zijn geweest, mochten er geen vaccins voorhanden zijn.

Are we ready?

Is Europa klaar voor een nieuwe uitbraak van blauwtong in de lente?

Feller: Dewelke (lacht)?

John: Voor BTV-3 zijn we zo goed als mogelijk voor een vectorziekte voorbereid op dit moment.

Feller: Er komt echter een nieuwe serotype op, BTV-12. Industrie en CVO’s communiceren sinds BTV-3 meer onderling – een goede evolutie natuurlijk – waardoor we minder nodig zijn als tussenpersoon. We weten dus ook niet goed hoe het staat met de ontwikkeling van vaccins tegen dit serotype.

En zijn we voorbereid op de opkomst van andere vectorziekten?

John: Een beetje beter dan voor BTV-3, maar we staan nog maar aan de start van een lange weg. Vectorziekten zijn notoir moeilijk om onder controle te houden, omdat we nooit zeker kunnen zijn waar en wanneer een nieuwe uitbraak zal verschijnen. Er bestaan cases waarbij een mug door de wind over het Kanaal geblazen wordt en voor een uitbraak zorgt. Vectorziekten onderstrepen enkel maar het belang van vroege waarschuwingssignalen voor nieuwe ziekten, zodat er op tijd een vaccin ontwikkeld en zo vroeg mogelijk gevaccineerd wordt.

Feller: Een infectie door andere soorten dierenziekten zijn redelijk makkelijk te voorkomen: contact tussen dieren voorkomen. Hetzelfde geldt voor mensen. Als je ziek bent, blijf je ook thuis.

Maar contact van vee met knijten en andere insecten vermijden is een pak moeilijker. Tot een bepaald punten zullen insectenwerende middeltjes en bioveiligheidsmaatregelen werken, maar veehouders kunnen onmogelijk alle insecten van hun dieren weghouden, zelfs in stallen.

Vectorziekten zoals blauwtong zijn voor mij de grootste uitdaging en we voorspellen dat een aantal voor Europa nieuwe ziekten eraan staan te komen. Een voorbeeld is het Westnijlvirus. Vectorziekten verdienen daarom meer aandacht in de Animal Health Law (n.v.d.r. de allesomvattende Europese wet rond diergezondheid). De fundamenten van deze wet zitten goed, maar we hebben een aantal opmerkingen rond de uitvoering. We pleiten dan ook voor meer dialoog, focus en good practices uitwisselen, zodat we voorbereid zijn op de uitdagingen die eraan komen.-

Thor Deyaert

Lees ook in Overdraagbare ziekten

Vogelgriep op kalkoenenbedrijf in Nederland

Pluimvee Op een kalkoenenbedrijf in de Nederlandse gemeente Putten (provincie Gelderland) werd op 19 maart vogelgriep vastgesteld. Om verspreiding van het virus te voorkomen, worden de zowat 27.000 dieren op de locatie geruimd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Meer artikelen bekijken