Startpagina Melkvee

Hoe kan passieve immuniteitstransfer falen?

Bij de geboorte worden kalveren zonder antistoffen geboren, wat betekent dat ze nog geen infecties kunnen bestrijden. De overdracht van antistoffen via biest is cruciaal voor het verwerven van immuniteit bij pasgeboren kalveren.

Leestijd : 6 min

De antistoffen leveren de essentiële immuniteit aan die het kalf nodig heeft om zijn eerste levensdagen en -weken gezond door te komen en om later te kunnen doorgroeien naar een hoogproductief dier. Dit proces loopt niet altijd zoals het hoort.

Falen van passieve immuniteit

De placenta van de koe laat geen transmissie toe van antistoffen van moeder naar foetus. Daarom moeten kalveren voldoende biestimmunoglobulinen opnemen om passieve immuniteit te verkrijgen en om het falen van passieve immuniteitstransfer (FPTI) te voorkomen. De opname van antistoffen vindt voornamelijk plaats via openingen in de darmwand, die tot 24 uur na de geboorte aanwezig zijn. Met andere woorden, het falen van de passieve immuniteitstransfer kan optreden door onder andere onvoldoende of te late biestopname of door biest van lage kwaliteit.

Oorzaken van falen van passieve immuniteit

Er zijn verschillende redenen die kunnen zorgen voor FPTI, maar het zijn allemaal factoren die de antistofopname beïnvloeden. Hieronder gaan we in op al deze verschillende boosdoeners. De 5 hoofdredenen zijn:

• Het kalf te laat zijn eerste biest geven, waardoor de opnamecapaciteit in de darm al sterk is afgenomen.

• Het kalf biest geven van een te lage kwaliteit (minder dan 50 g/l).

• Het kalf te weinig biest (minder dan 4 l van 50 g/l) geven.

• Een te zware microbiële contaminatie van de biest.

• Het laten zogen van de kalveren bij de koeien.

Goede biestkwaliteit en -opname

Rantsoen Het rantsoen van de koe tijdens de droogstand heeft invloed op de efficiëntie van de antistofopname. De hoeveelheid eiwit in het droogstandsrantsoen heeft een positieve invloed op de biestkwaliteit. De concentratie antistoffen in biest neemt volgens één artikel zelf met 10 g/kg toe bij elke kg extra eiwit dat aan het dieet wordt toegevoegd. Daarentegen heeft energiebeperking tijdens de droogstand geen effect op de opname van biest. Ook het ras is belangrijk. Zo hebben Gelbvieh, Charolais, en Simmental minder antistoffen in hun biest. Ook de pariteit (hoe hoger = hoe meer antistoffen) en hoeveelheid melkproductie (hoe hoger = hoe minder antistoffen) hebben een effect op de biestkwaliteit.

Tijdstip Verder is het tijdsinterval tussen de geboorte en de eerste keer biest geven belangrijk, omdat de antistofabsorptie snel afneemt na de geboorte. Het geven van biest binnen een bepaalde periode (minder dan 6 uur) na de geboorte is dus essentieel voor een optimale opname. Zes uur na de geboorte daalt de opname van antistoffen door de darm al met 25-30%, na 12 uur daalt de opname met 40-50%. Ook het moment van melken is belangrijk. Per uur dat er gewacht wordt om de koe te melken, of dat het kalf niet drinkt aan de uier, daalt de biestkwaliteit met 3%. Even belangrijk is de manier van biest bewaren. In de koelkast hou je biest het best niet langer dan 12-24 uur, terwijl het in de diepvries (-20 °C) één jaar goed blijft.

Concentratie De concentratie van antistoffen in biest is recht evenredig met de opname, dus hoe hoger de hoeveelheid antistoffen in de biest, hoe beter de opname ervan. Men spreekt van goede biestkwaliteit wanneer er meer dan 50 g antistoffen per l biest aanwezig is. Het is wel belangrijk om te weten dat de hoeveelheid biest mee het sluiten van de darmbarrière bepaalt. Met andere woorden: wanneer er veel biest van slechte kwaliteit gegeven wordt, sluit de darm sneller en kan het zijn dat er hierdoor te weinig antistoffen gegeven worden. In dit geval is het belangrijk om alles te geven op een zo kort mogelijke periode, aangezien de absorptie het hoogst is tijdens de eerste 6 levensuren van het kalf.

De Brix-meter
De Brix-meter - Foto: MD

Methode Het gebruik van een speenemmer ten opzichte van sonderen heeft geen significant verschil in antistofopname. Wanneer men ervoor opteert om het kalf te sonderen, moeten er grote hoeveelheden (meer dan 2 l) toegediend worden, zodat er meer biest van de pens overloopt naar de dunne darm. Ook al is er een hogere opname van antistoffen wanneer het kalf rechtstreeks bij de koe zuigt, toch wordt dit ten sterkste afgeraden. De reden daarvoor is dat er vaak te weinig biest wordt gedronken door het kalf, door bijvoorbeeld: een uierplaatsing (dikke spenen of laaghangende uier), gebrekkig moederinstinct van de koe en zuigkracht van het kalf. De toestand van het kalf speelt hier een héél belangrijke rol. Kalveren geboren na een moeilijke kalving of een keizersnede zijn veel gevoeliger voor FPTI, aangezien ze vaak ondertemperatuur hebben, een zwakkere zuigreflex hebben, niet rechtstaan, enzomeer.

Vermijd bacteriële contaminatie

De opname van antistoffen uit de biest is een niet-selectief proces, waardoor zowel antistoffen als andere stoffen (zoals bacteriën) opgenomen kunnen worden. Met andere woorden: de aanwezigheid van bacteriën en vuil in biest kan de antistofopname verminderen. Om bacteriële contaminatie te vermijden is het belangrijk om de uier schoon te maken voor het melken, om te melken in een propere emmer en om de biest in een propere fles aan het kalf te geven. Veel voorkomende kiemen in de biest zijn E. coli , paratuberculose, salmonella, mycoplasma en BVD. Warmtebehandeling van biest kan de bacteriële contaminatie verminderen en de antistofopname verbeteren. Hier spreken we van de 60-60-regel (60 minuten pasteuriseren op 60 °C). Een temperatuur hoger dan 60 °C vermindert echter de hoeveelheid antistoffen significant door het kapotmaken van de antistoffen en wordt daarom afgeraden.

Voorbeeld van slechte biest, gemeten met de Brix-meter.
Voorbeeld van slechte biest, gemeten met de Brix-meter. - Foto: MD

Ten slotte kan de toevoeging van selenium zorgen voor een hogere antistofopname en een verbeterd immuunsysteem bij kalveren. Dit kan zowel door het moederdier te supplementeren als door extra selenium toe te voegen aan de biest. Ook hormonen kunnen het proces van antistofopname beïnvloeden. Het toedienen van cortisone kan bijvoorbeeld vroegtijdige remming van de opname van biest veroorzaken.

Het meten van FPTI

Je kan de biest meten door middel van een Brix-refractometer of colostrometer. Het voordeel van beide is dat ze makkelijk te gebruiken en goedkoop zijn, maar ze moeten allebei proper gemaakt worden na gebruik. Het nadeel van de colostrometer is dat de biest 22 °C moet zijn. Met andere woorden: is de biest te warm, dan krijg je een onderschatting (wat goed is). Is de biest te koud, dan krijg je een overschatting. Voor de Brix-refractometer moet de biest meer dan 21% zijn.

Een voorbeeld van goede colostrum, gemeten met de colostrometer.
Een voorbeeld van goede colostrum, gemeten met de colostrometer. - Foto: MD

Je kan ook de antistoffen bij het kalf bepalen door de dierenarts een bloedstaal te laten nemen. Dit raden we enkel aan als het bedrijf kampt met falen van passieve immuniteitstransfer of als een pasgeboren kalf ziek is. Je kan dit bloedstaal opsturen naar het laboratorium, waar ze het totaal eiwit kunnen bepalen (> 5,8g/dl bij melkkalveren en > 6 g/dl voor vleeskalveren). Er zijn echter gemakkelijkere en ‘op het bedrijf’-mogelijkheden! Zo kan je ook voor bloed de Brix-refractometer gebruiken (meer dan 10%). Andere testen die op het bedrijf kunnen plaatsvinden, zijn de glutharaldehyde coagulatietest of de zinkturbiditeitstest.

Gevolgen van FPTI op korte, middellange en lange termijn

Falen van de passieve immuniteit (FPT) bij kalveren heeft aanzienlijke gevolgen op zowel korte als lange termijn. Uit onderzoek blijkt dat kalveren die binnen 2 dagen na de geboorte sterven een lagere antistofconcentratie (minder dan 8,5 IgG) hebben dan overlevende kalveren, wat aangeeft dat een goede antistofvoorziening cruciaal is voor hun overleving.

Kalveren met een adequate antistofconcentratie (meer dan 10 g/l) in hun bloed maken minder kans op aandoeningen zoals longontsteking en bloedvergiftiging. Bovendien moeten ze minder lang behandeld worden als ze ziek zijn. Concreet zijn kalveren met meer dan 10 g/l IgG in het bloed minder vatbaar voor ziekten en sterfte tot (ten minste) dag 14 na de geboorte. Ook de algemene gezondheid gaat erop vooruit bij een goed biestmanagement. Zo hebben kalveren die binnen 24 uur biest kregen een hogere rectale temperatuur, hartslag en ademhalingsfrequentie.

De groei van kalveren wordt positief beïnvloed door een goed biestmanagement, mogelijk door groeifactoren in biest en een verminderde energiebehoefte voor de productie van antistoffen. Dat wil zeggen dat de kalveren zelf minder antistoffen moeten aanmaken, waardoor ze meer energie hebben om bijvoorbeeld te groeien.

Op lange termijn zorgt een tekort aan antistoffen voor een verminderde melkproductie tijdens de eerste en tweede lactatie. Kalveren met een goede antistofvoorziening kalven op jongere leeftijd af, vermoedelijk door hun snellere groei en ontwikkeling.

Vanuit een financieel oogpunt leidt FPTI tot hogere kosten, hoofdzakelijk als gevolg van verhoogde veterinaire uitgaven en sterfte, naast een afname in groei en melkproductie op de lange termijn.

In het kort benadrukt dit artikel het belang van een goed biestmanagement en de mogelijke gevolgen als hieraan niet voldaan wordt.

Manon Dewulf (UGent )

Lees ook in Melkvee

Meer artikelen bekijken