‘Ik sta voor een landbouw die vooral een ondernemerssector is’
Landbouw in Vlaanderen is boeren op de vierkante meter, waardoor de landbouw in voortdurende concurrentie is met andere belangen, zoals natuur, bewoning en infrastructuur. Minister Joke Schauvliege vindt dat boeren best eens in de spiegel mogen kijken en moeten bepalen wat voor soort bedrijf bij hen past, maar ook dat de maatschappij zich meer rekenschap mag geven van het belang van de landbouw voor de economie, de leefbaarheid van het platteland en zelfs de ecologie.

Vlaams landbouwminister Joke Schauvliege wordt door boeren en natuurorganisaties regelmatig onder vuur genomen. Een teken dat ze er niet in slaagt ook maar iemand gelukkig te maken, is dat volgens de CD&V politicus niet. Eerder een teken dat haar beleid gebalanceerd is.
Schauvliege is een politicus pur sang. Al op haar 24e werd ze gemeenteraadslid in Evergem en na periodes als Volksvertegenwoordigster en Vlaams Parlementslid mag ze zich sinds 2009 minister noemen. Haar vuurdoop als landbouwminister in 2014 was niet gemakkelijk. De Russische regering had zojuist aangekondigd zowat alle landbouwproducten uit de EU te boycotten.
De Christendemocraat uit Oost-Vlaanderen kreeg lof voor haar aandeel in het direct voor elkaar boksen van steunmaatregelen. In een interview met Landbouwleven in Brussel legt Schauvliege uit voor welk landbouwbeleid ze staat, en waarom.
Laten we beginnen met wat actualiteit. De doelstellingen van het Mestactieplan worden niet gehaald. Hoe komt dit en wat gaat u eraan doen? Kunnen boeren strengere normen verwachten?
“Om te beginnen denk ik dat het heel goed is dat Vlaanderen zoveel cijfermateriaal heeft over haar mestproblematiek. Je moet vaststellen dat België in de afgelopen paar decennia enorme beterschap heeft geboekt. De laatste jaren is dat over heel Vlaanderen bezien helaas niet het geval. Maar dat betekent niet dat het beleid faalt. Er zijn wel degelijk regio’s waar het beter gaat. We moeten daarom vasthouden aan de gebiedsgerichte aanpak. Daarnaast moeten andere maatregelen volgen.”
Wat gaat u doen?
“Daar kan ik nu nog niets over zeggen. U weet dat de Mestbank vanaf 2018 gaat controleren of de teeltvrije zone van één meter langs waterlopen in focusgebieden wordt nageleefd. Voor overige maatregelen ben ik in gesprek met alle betrokken partijen en zo ook met de sector. Milieumaatregelen moeten volgens mij altijd in overleg met de sector worden bepaald.”
Dat kan weer kritiek oproepen dat u niet onafhankelijk genoeg opereert. Hebt u als minister voldoende speelruimte te midden van de agrarische belangengroepen? Vooral Boerenbond is met haar belangen in bedrijven en connecties in de politiek een machtige speler.
“Ik pleeg overleg met alle betrokkenen, niet alleen met Boerenbond en niet alleen met de sector. Ook met bijvoorbeeld ecologische organisaties. Ik ben altijd op zoek naar gebalanceerd beleid, Ik zit graag aan tafel met middenveldorganisaties die voldoende representatief voor een bepaalde achterban zijn. Ik ben ook zeer blij dat ook de landbouw enkele sterke middenveldorganisaties telt. Ze weten ontzettend veel, kunnen snel hun achterban bereiken en maken zo dat informatie gemakkelijk kan doorstromen.”
Ze helpen u goed beleid maken?
“Ja, maar uiteindelijk zijn het niet deze organisaties die wetten en regels bepalen, maar de politiek. Dat weten zij ook heel goed. Weet je, het interessante is dat ik vaak van boeren het verwijt krijg alleen maar voor natuurorganisaties te werken en van natuurorganisaties dan weer de klacht krijg dat ik alleen voor de boeren werk.” Dan lachend: “misschien is het beleid dan toch wel gebalanceerd en doe ik het dus goed!”
Naast verpaarding en vertuining duiken berichten op dat landbouwgrond wordt gekocht door industriëlen die deze vervolgens ook zelf uitbaten in plaats van ze te verpachten. Hoe kan ervoor gezorgd worden dat landbouwgrond bij boeren terechtkomt?
“Ik zie die problematiek inderdaad ook en het is natuurlijk ook zo dat Vlaanderen dichtbevolkt is waardoor altijd druk op de grondmarkt zal zijn. De overheid kan quasi niet voorkomen dat iemand grond aankoopt, dat gaat gewoon niet tenzij je een soort communistisch model hanteert. Dat laatste lijkt me geen goed plan. Wel kan de overheid volgens mij de markt sturen of bijsturen met het vergunningenbeleid. Als grond agrarisch bestemd is, kan het bijvoorbeeld niet voor alleen recreatieve doeleinden gebruikt worden. Dat beleid wordt wat mij betreft strikt gehandhaafd.”
Veel gehoorde kritiek is dat de consument veel eisen stelt maar, van zodra hij in de supermarkt aanbeland is, puur op prijs koopt. Als u zelf in de supermarkt staat, let u dan op keurmerken?
“Ik let daar zeker op en heb ook mijn moeder aangestoken. Ik denk dat het begint bij kennis; als mensen ergens meer van weten, gaan ze andere keuzes maken.”
Binnen de maatschappij is het denken over landbouw de laatste jaren sterk veranderd. Diverse initiatieven zetten in op kleinschalige, op kwaliteit en de lokale markt gerichte gezinsbedrijven in plaats van grootschalige, op volume en export gerichte landbouw. Waar staat u in dit debat?
“Ik sta voor een diverse landbouw die vooral een ondernemerssector is. We moeten de Vlaamse boer niet in een keurslijf willen stoppen. Er is ruimte voor grote bedrijven die zich op de al dan niet grootschalige export richten maar ook voor kleine bedrijven die een niche bedienen. Ik zie ook in de toekomst niet één model in Vlaanderen winnen en de verschillende modellen van landbouw bedrijven, kunnen er ook op rekenen dat de overheid er voor hen zal zijn. Overigens wordt veel gesproken over modellen maar toch minder door boeren zelf.”
Hoe bedoelt u? Boeren zijn er minder mee bezig dan academici en beleidsmakers?
“Boeren denken wat mij betreft nog te weinig na over het landbouwmodel dat ze zelf hanteren. Ik zie graag een Vlaamse landbouw met weerbare boeren. Een landbouw waarin boeren meer hun eigen plan trekken en zich minder laten sturen door bijvoorbeeld banken, adviseurs en familie. Dat ze bewust als ondernemer kiezen voor iets dat bij hen en de markt past. De landbouw is veranderd en onderscheidend vermogen wordt steeds belangrijker.”
Wat zegt u tegen burgers die zeggen: Vlaanderen is dichtbevolkt, laat ze dat voedsel toch ergens anders produceren? Op een plaats waar de grondprijs laag is en de arbeid nog goedkoop. Boeren krijgen die vraag ook.
“Ik ben ervan overtuigd dat we voedselproductie in Vlaanderen moet houden, alleen al vanuit strategisch perspectief. Daarnaast is de landbouw een hele belangrijke economische sector in Vlaanderen. Het wordt wel eens vergeten, zeker in de steden, maar de sector levert veel geld en werkgelegenheid op. Vlaanderen is misschien dichtbevolkt maar de bodem is vruchtbaar en het klimaat voor veel productie ideaal. Daarnaast is er een derde aspect waarvan ik vind dat er te weinig op gefocust wordt: het platteland.”
Welke rol ziet u voor boeren in het platteland, behalve een economische?
“Boeren zorgen niet alleen voor het landschap, ze zijn ook een cruciaal onderdeel van de plattelandseconomie en het sociale leven op het platteland. De boer helpt met zijn tractor iemand van het dorp, laat de carnavalswagen opbouwen in zijn loods, is actief in het verenigingsleven etc. Denk de boeren weg en veel dorpen zullen verdwijnen. Het platteland kan niet zonder boeren.”
Vlaanderen werd dit jaar opgeschrikt door wantoestanden in slachthuizen in Tielt en Izegem, die ook het aanzien van de vleesveehouderij en varkenshouderij raakt, terwijl boeren er niets aan kunnen doen. Zou dierenwelzijn niet beter uw dossier zijn?
“Het is heel vervelend voor boeren dat ook zij worden geassocieerd met wat in deze slachthuizen is gebeurd. Dat brengt me op nog een reden dat de landbouw bij Vlaanderen hoort: vrijwel nergens wordt zo duurzaam geproduceerd. Als we de productie hier in Vlaanderen weghalen, zal het op een andere plek op minder duurzame wijze gaan plaatsvinden. Ook iemand die staat op een beter milieu en dierenwelzijn moet dus een voorstander zijn van Vlaamse landbouw.”
En om terug te komen op de vraag…
“Om terug te komen op de vraag: je kunt altijd discussies hebben over de verdeling van portefeuilles en er gaat vaak een politiek proces aan vooraf. Maar uiteindelijk vind ik het goed dat dierenwelzijn apart staat van de landbouw en de landbouw dus niet automatisch met dierenwelzijnsproblematiek wordt geassocieerd. Dat zou onterecht zijn. Boeren zorgen meestal heel goed voor hun dieren, al is het maar omdat ze weten dat beesten die goed verzorgd worden productiever zijn. Dierenwelzijn betreft bovendien ook huisdieren, dierentuindieren etc. Het zou niet eerlijk zijn dierenwelzijn als een landbouwdossier te bestempelen.”
En de koppeling landbouw en leefomgeving? Twee dossiers die elkaar volgens critici kunnen bijten.
“Ik denk dat landbouw en milieu met elkaar verbonden zijn en veel meer van elkaar kunnen profiteren. De belangen zijn niet altijd tegenovergesteld. Het is een inzicht dat volgens mij steeds breder wordt gedeeld wat zich ook uit in allerlei projecten.”
De akkerbouw is zeer afhankelijk van gewasbeschermingsmiddelen. Zowel de boerenlobby als de lobby van middelenfabrikanten zeggen dat de focus in het toelatingskader is doorgeschoten naar “hazard” (gevaar) ten koste van “risk” (risico). Je moet wel verdomd veel glyfosaat binnen krijgen, wil het daadwerkelijk kanker opleveren. Bent u het met hen eens?
“U weet dat het Europese gewasbeschermingsmiddelenbeleid niet mijn bevoegdheid is maar die van federaal minister van landbouw Ducarme. Ik kan persoonlijk niet beoordelen of glyfosaat of een andere pesticide gevaarlijk is. Ik vind het vooral belangrijk dat de wetenschap tot een eenduidig advies kan komen. Lukt dat niet, dan staat de geloofwaardigheid van ons toelatingsbeleid op het spel. Dan staan ook andere toelatingen opeens op de helling. Meer in het algemeen denk ik: hoe minder bestrijdingsmiddelen nodig zijn, hoe beter. Het is goed voor zowel het milieu als de boer, die minder pesticiden we hoeven kopen. Maar we moeten realistisch zijn, in veel teelten kunnen we nu nog niet zonder bestrijdingsmiddelen.”
In Europees verband onthoudt de federale landbouwminister van België zich vaak van stemming omdat de gewesten het niet eens zijn. In heikele kwesties kan dit doorslaggevend zijn. Vindt u dat hier een oplossing voor gevonden moet worden?
“België stemt meestal wel gewoon hoor, en is zelfs een sterke partij binnen de EU. De situatie is wel bijzonder omdat zowel de Vlaamse als Waalse minister vrijwel dezelfde bevoegdheden heeft als bijvoorbeeld een landbouwminister in Nederland of Duitsland, maar Europees de federale minister optreedt terwijl er geen hiërarchie istussen de bestuurslagen. De federale minister staat niet boven mij of mijn Waalse collega. De reden dat ik denk dat België in Europees opzicht volgens mij wel degelijk sterk staat, ligt niet alleen in de kracht van de landbouw die we vertegenwoordigen, maar juist ook in de complexiteit van het Belgische bestel. Voor buitenstaanders lijkt het vaak een conflictmodel, maar het is een consensusmodel. Als we Europees optreden zijn we niet alleen heel ervaren in het vinden van consensus, we hebben ook intern al een discussie met argumenten en tegenargumenten achter de rug.”
Hoe ziet u de betekenis van de Brexit voor de Vlaamse landbouw? Hoe moet wat u betreft het nieuwe handelsregime vormgegeven worden en hoe gevaarlijk is het voor een exportgerichte sector dat een liberale bondgenoot als het Verenigd Koninkrijk van het toneel verdwijnt?
“De inzet moet wat ons betreft zijn dat een goede handelsrelatie met het Verenigd Koninkrijk behouden blijft. Ik geloof dat iedereen daar wel voorstander van is maar of dat realistisch is hangt af van politieke overwegingen. Toegang tot de interne markt zal alleen worden vergeven als ook over andere dan alleen economische zaken een overeenkomst wordt gesloten. Ik denk dat politici en ook boeren lering kunnen trekken uit de Brexit-situatie. Boeren klagen vaak over ‘Brussel’ maar het levert ze wel degelijk veel op.”
De directe betalingen?
“Het gaat niet alleen om subsidies maar ook toegang tot een grote interne markt met 500 miljoen consumenten. Politici moeten dan weer niet alles dat impopulair is afschuiven op de EU en tegelijk alles dat populair is voor de eigen regering claimen.”
Wat is uw insteek voor een nieuw gemeenschappelijk landbouwbeleid? Moeten budgetten worden gehandhaafd zelfs nu een belangrijke nettobetaler verdwijnt en waarop moet de focus liggen?
“De inzet moet wat mij betreft handhaving van het landbouwbudget zijn en dat zal gezien het vertrek van het Verenigd Koninkrijk inderdaad lastig te realiseren zijn. Daarnaast is de inzet wat ons betreft dat het GLB jonge boeren helpt. Het is belangrijk dat jonge boeren in staat worden gesteld bedrijven over te nemen en ook dat het werk aantrekkelijk genoeg is voor hen. Zonder jonge boeren heeft de landbouw geen toekomst.”