Burgerlijke vordering van Animal Rights onontvankelijk verklaard in zaak tegen slachthuis
De zaak tegen slachthuis Verbist in het West-Vlaamse Izegem kent een lange juridische voorgeschiedenis. Het begon allemaal in september 2017 toen dierenrechtenactivisten van Animal Rights camera's plaatsten in het slachthuis. Ze maakten beelden waarop te zien was hoe dieren werden mishandeld: ze werden met stokken in een box gejaagd, kregen elektrische schokken en werden in sommige gevallen onverdoofd geslacht.
Animal Rights trok naar de rechtbank in Ieper, maar die sprak het slachthuis in 2021 vrij voor dierenmishandeling omdat de beelden onrechtmatig werden verkregen. Het slachthuis kreeg wel een boete voor onregelmatigheden bij transport en inbreuken tegen de hygiëne. Animal Rights ging in beroep, maar het parket volgde niet, waardoor de straf van het slachthuis definitief was.
Geen wettelijke basis
Op burgerlijk vlak wou Animal Rights dat de beelden als bewijs werden aanvaard. Het hof van beroep in Gent oordeelde in 2023 dat de beelden toch gebruikt mochten worden. Het slachthuis werd schuldig bevonden aan dierenmishandeling, maar omdat het parket niet in beroep was gegaan, kon het hof geen straf meer opleggen. Animal Rights kreeg een symbolische schadevergoeding van 1 euro toegekend.
Het slachthuis trok daarop naar het Hof van Cassatie en dat vernietigde in 2024 het arrest, omdat er momenteel geen wettelijke grondslag is die dierenrechtenorganisaties toelaat een burgerlijke vordering in te stellen om op te komen voor dierenwelzijn. Het Hof van Cassatie verwees de zaak naar het hof van beroep in Antwerpen, waar het dossier opnieuw beoordeeld moest worden.
Het Antwerpse hof van beroep besliste om het debat te beperken tot de vraag of de vordering van Animal Rights wel ontvankelijk was. Het antwoord luidde dinsdag 1 april 'nee'. Het hof volgde het standpunt van het Hof van Cassatie en verklaarde de vordering onontvankelijk. Slachthuis Verbist is inmiddels al geruime tijd dicht en zelfs gesloopt.