Startpagina Uw stem

Opinie: De Vlaamse landbouw: quo vadis?

Volgens Bruno Vandorpe, docent dierlijke productie & landbouweconomie aan de Hogeschool Vives, hanteert de algemene media vaak een eenzijdige benadering van onze Vlaamse landbouw. Hij probeert het bredere kader te schetsen.

Leestijd : 6 min

Klimaat, biodiversiteit, toenemende wereldbevolking, duurzaamheid, hernieuwbare energie… De impact van de landbouw en in het bijzonder van de intensieve veeteelt wordt bij tal van hedendaagse uitdagingen in de maatschappij gebruikt en/of misbruikt: de ene keer als oorzaak, als boosdoener; de andere keer als slachtoffer, als oplossing.

In de visietekst ‘Duurzame landbouwproductie en de maatschappelijke uitdagingen’ wordt door de KU Leuven-experts gewezen op het selectieve gebruik van feiten in de media: “Onjuiste informatie en een gebrek aan kennis, gecombineerd met verschillende opvattingen van diverse belangengroepen, voeren de druk op op zowel de media als de beleidsmakers.”

Vier principes

De toekomst van de Vlaamse landbouw(ers) verdient een holistische kijk in de maatschappelijke discussie: de Vlaamse landbouw als onderdeel van het mondiale voedselsysteem.

Tegen 2050 ongeveer 10 miljard mensen voeden, zonder het klimaat en de omgeving extra te belasten, is de ambitie. Vier principes zullen, volgens de visietekst KU Leuven, terecht de hoekstenen van deze ambitie vormen: duurzaam intensifiëren, voedselverlies en -verspilling voorkomen, het matigen van de consumptie van dierlijke eiwitten en de afbouw van de teelt van biobrandstoffen. Zo komt er daarenboven uiteindelijk ook land beschikbaar voor het herstel van ecosystemen.

Duurzaam intensifiëren

Graag ga ik dieper in op het duurzaam intensifiëren. Traditioneel wordt de duurzaamheid van een voedselproductiesysteem beoordeeld op 3 aspecten: het economische, het ecologische en het sociale aspect.

Het is een open deur intrappen: geen enkel landbouwproductiesysteem scoort maximaal op alle duurzaamheidsparameters. Maar hoe intensiever de landbouw is, hoe duurzamer deze kan zijn.

Economische kijk

Economisch gezien bestaan er binnen de Vlaamse landbouw grofweg 2 types boeren. Het eerste type is een bulkproducent. Deze produceert voor de agro-industrie, de voedingsnijverheid. De hoge eisen en normen van de afnemers verplichten deze boer om zich te focussen op de technische kengetallen. De bulkproducent is een prijsnemer. De export van agrarische producten was in 2022 – volgens de Nationale Bank van België – goed voor 11,2% van de totale export. Wellicht uit onwetendheid is de gemiddelde Belg (nog) niet trots op het feit dat het (kleine) België wereldwijd (!) de grootste exporteur is van diepvriesaardappelproducten en diepvriesgroenten. De kwaliteit wordt wereldwijd sterk gewaardeerd, maar blijkbaar is het moeilijk om sant in eigen land te zijn.

Het tweede type boer is de nicheproducent. Dat is de boer die bijvoorbeeld onderneemt binnen de korte keten. Hij/zij brengt de consument (terug) dichter bij de voedselproductie. Hier zijn social skills minstens even belangrijk. Dit type van voedselproductie botst tevens op zijn limieten. Willen we bijvoorbeeld de bevolking van de stad Antwerpen enkel voeden met lokaal geteelde producten, dan is er geen productieruimte genoeg binnen een straal van 50 km rondom Antwerpen. Tot op zekere hoogte is dit type boer een prijszetter. Stellen dat dit de toekomst is voor alle landbouwers, is manifest onjuist: in deze situatie worden ze immers terug prijsnemer door de concurrentie met de boer-buurman.

Biologische landbouw en agro-ecologie zijn ook 2 nichesectoren. Technieken die hierin hun deugdelijkheid bewijzen, worden steeds vaker nadien geïmplementeerd in de gangbare landbouw. Zo wordt deze stap voor stap nog duurzamer.

Ecologische kijk

Wanneer duurzaamheid verengd wordt naar het ecologische aspect ontstaat, onterecht, al vlug de breuklijn landbouw-natuur. Hoe intensiever men echter kweekt of teelt, hoe efficiënter het systeem omgaat met land- en watergebruik. De voorbeelden zijn legio: bij traaggroeiende kippen is bijvoorbeeld de voerconversie (de hoeveelheid voeder nodig voor 1 kg vleesaanzet) 25% hoger dan bij de kweek van gangbare kippen.

Als keerzijde van de medaille van een productieve intensieve veeteeltregio worden deels terecht onder andere de stikstofemissies en/of de nitraten in het oppervlaktewater aangehaald. Er gaat in de maatschappelijke discussie en de wetgeving veel aandacht naar de hoeveelheid stikstof die de landbouw, de industrie en het verkeer uitstoten in de atmosfeer. Enige nuancering is hier op zijn plaats. De invloed van de huishoudens via de riolering wordt niet mee in rekening gebracht (mensen zijn immers ook eenmagigen).

De invloed van de mens in bijvoorbeeld natuurrecreatie werd door prof. De Frenne (UGent) wetenschappelijk onderzocht. De stikstof uit hondendrollen is in de 4 belangrijkste Gentse natuurgebieden verantwoordelijk voor de helft van de stikstofdepositie in deze natuurgebieden!

Het is genoegzaam bekend: Arcelor Mittal in Gent stoot meer CO2 uit dan de totale landbouwsector in Vlaanderen. De politiek geeft het staatsbedrijf – terecht – de kans om te werken aan CO2-reductie zonder direct de omvang van de productie ter discussie te stellen. Waarom zou de veehouderij die kans niet mogen krijgen?

Bij de ecologische benadering van de duurzaamheid van een voedselsysteem dient een belangrijke kanttekening te worden gemaakt. Maatregelen, initiatieven die genomen worden met betrekking tot het verhogen van dierenwelzijn (bijvoorbeeld een lagere bezettingsgraad, een tragere groei, voorzien van uitloop) zijn lovenswaardig, maar impliceren ontegensprekelijk negatieve ecologische gevolgen.

Het OptiWel Emis-project van het Proefbedrijf Pluimveehouderij en het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) onderzocht in 2023 proactief wat momenteel in het Vlaams regeerakkoord staat. De bezettingsgraad (het aantal kippen per m²) werd verlaagd met 25% ten opzichte van de wettelijke norm. De gangbare vleeskuikenrassen werden er vervangen door traaggroeiende vleeskuikenrassen. Over de volledige productieronde steeg de stikstofemissie met een factor 3,5. Met de huidige regelgeving heeft dit onmiddellijk restricties voor de vergunning voor de overschakelende veehouder.

Heel wat supermarkten engageerden zich om tegen 2026 pluimveevlees te verkopen dat voldoet aan onder andere bovenstaand onderzoek volgens het BCC-label, het Better Chicken Commitment. De Europese consumentenvereniging (BEUC) haalt aan dat de pluimvleesconsumptie binnen de Europese Unie (EU) in de periode 2023-2035 zal stijgen met 5%. Zonder bijsturing betekent dit dat het pluimveevlees in de supermarkt in 2026 verant-woordelijk zal zijn voor 24,4% meer broeikasgasemissies per kg vlees, een productiekoststijging van 37,5% en een daling van de vleesproductie per m² van 44% ten opzichte van pluimveevlees uit de gangbare productie. Hebben de supermarktmarketeers hun handtekening te vlug geplaatst?

De EU importeert nu jaarlijks 900.000 ton pluimveevlees, waarvan 25% afkomstig is uit Brazilië en Thailand. Men mag tweemaal gissen of ‘dierenwelzijn’ of ‘ammoniakemissies’ een issue is in de 2 laatstgenoemde landen. Mensen die pleiten voor een afbouw van de veestapel om redenen van ecologie en/of dierenwelzijn maken bij een holistische benadering en een gelijk consumentenpatroon dus een kapitale denkfout.

Spagaat tussen burger en consument

Op geregelde tijdstippen brengt het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM) de aankoopcriteria van de Vlaamse consument in kaart. Deze aankoopcriteria illustreren duidelijk de sociale spagaat tussen de burger en de consument. Waar onderwerpen zoals dierenwelzijn, eerlijke handel, milieu… belangrijk zijn voor de burger (en dus voor de kiesintenties in de politiek) is het gedrag van de consument echter prijsgedreven. Europees onderzoek toont aan dat slechts 14% van de consumenten bereid is om 10% extra te betalen voor bijvoorbeeld meer dierenwelzijn. Het verschil tussen wat de burger wil versus wat de consument wil, heeft door (onder andere de strikte regelgeving) verstrekkende gevolgen voor de landbouwer-producent.

Binnen de EU wordt het proces van voedselproductie (van riek tot vork) strikt gereglementeerd. De EU hanteert in deze een procesbenadering. De rest van de wereld hanteert echter een productbenadering. Hierbij wordt enkel nagegaan of het eindproduct voldoet aan voedselveiligheidsnormen.

Europese voedselproducenten concurreren bijgevolg voor de Europese markt met goedkopere producenten uit de niet-EU. Dat is een ongelijke strijd waarbij zowel sociaal, ecologisch en economisch Europa het onderspit delft. Het nakende Mercosur-akkoord illustreert nogmaals dat landbouw en voedselproductie als pasmunt gebruikt worden in internationale handelsverdragen. Niet voor niets wordt het smalend het Cows for cars agreement genoemd.

De denkpiste om hier de veestapel drastisch af te bouwen en zodoende onze voedselproductie uit te besteden aan landen met lagere processtandaarden heeft, naast de negatieve gevolgen voor duurzaamheid, eveneens geopolitieke gevolgen.

Is het strategisch een slimme zet om in de huidige context onze voedselproductie te outsourcen?

Bruno Vandorpe

Lees ook in Uw stem

Meer artikelen bekijken