De mestverwerkingstechniek waarvan sprake is, is de biologie. Daarbij wordt ammoniak uit de mest omgezet in nitraat. Dit wordt op zijn beurt omgezet naar het milieuneutrale stikstofgas. Dit is zeker onschadelijk, maar het is toch jammer, omdat kunstmestfabrikanten hetzelfde stikstofgas via energieverslindende processen uit de lucht moeten halen om er kunstmest van te maken. Dat is niet goed voor het milieu. Uit cijfers van 2015 blijkt dat 37 % van alle verwerkte stikstof via een biologie wordt verwerkt.
Ovam gooide de knuppel
De biologie als mestverwerkingstechniek kan op technisch en economisch vlak zeker een succesverhaal genoemd worden. Toch klinken de vragen vanuit het duurzaamheidsdenken steeds luider. Het Europese en ook nationale beleid zijn erop gericht om in de richting van circulaire economie te werken: afvalstoffen moeten zoveel mogelijk ingezet worden als grondstoffen. Dat is met de biologische techniek minder snel mogelijk.
Bij de mestverwerkers, waar de techniek dus populair is, ontstond er heel wat beroering toen bleek dat afvalstoffenmaatschappij OVAM ongunstig over biologieën adviseerde. OVAM heeft een adviserende bevoegdheid als het gaat over plantaardige reststromen die covergist worden. De afvalstoffenmaatschappij adviseerde daar om bij nageschakelde technieken na covergisting biologieën maar beperkt in de tijd een vergunning te geven, wegens ‘geen techniek van de toekomst.’ Eerder had de Vlaamse regering ook al het ‘Actieplan Duurzaam beheer van Biomassa(rest)stromen 2015 - 2020’ goedgekeurd. Daarin staat duidelijk dat de biologie leidt tot nutriëntenverliezen en dat die manier van werking waar mogelijk moet worden afgebouwd. In datzelfde plan wordt er weliswaar ook toegegeven dat de mestverwerkingssector op korte termijn geen valabele alternatieven heeft. Het actieplan stelde concluderend voor om in 2020 te kijken of de afbouw van biologische mestverwerking na 2020 haalbaar is.
2020, dat is hoedanook niet ver meer. “We hebben dan ook gereageerd en gesteld dat 2020 sowieso veel te vroeg is. Er zijn een aantal nieuwe technieken waarin we ook wel sterk geloven, maar die gaan moeten afgetoetst worden via een levenscyclusanalyse of ze echt wel zoveel beter zijn”, aldus Emilie Snauwaert, adviseur bij het Vlaams Coördinatiecentrum voor Mestverwerking (VCM).
De toon was echter gezet. Potentiële investeerders in de biologische mestverwerkingstechniek werden voorzichtiger. Het was het signaal voor het VCM om zelf met alle betrokkenen de koppen bij elkaar te steken. “We hebben de omstandigheden aangegrepen om met alle betrokkenen uit de sector een denkoefening te maken over hoe we de mestverwerkingssector duurzaam kunnen houden en hoe we ze in de circulaire economie kunnen doen passen. Die nota hebben we ook eind mei overhandigd aan het kabinet van Minister Schauvliege”, aldus VCM-voorzitter Dirk Denorme. Hij bekleedt vanuit de mestbank VLM voor de komende twee jaar de voorzittersstoel.
Missie blijft behouden
Het VCM is het platform voor de mestverwerkingssector. Mestverwerkers, hun toeleveraars, maar ook de diverse overheden zijn betrokken. Dat er verder nood is aan mestverwerking staat voor hen als een paal boven water. “Het voorkomen dat een Vlaams mestoverschot op Vlaamse landbouwbodem terechtkomt, komt de Vlaamse waterkwaliteit onmiskenbaar ten goede en dient dus onverminderd behouden te blijven; ook na het doorvoeren van de transitie in de sector”, zo klinkt het in de nota.
Modernisering gevraagd
‘Afval’ dat een waarde heeft, blijft niet lang afval. In het geval van de mestverwerking is het duidelijk wat mestverwerkingsproducten snel meer waarde zou kunnen geven: het mogen inzetten van bepaalde mestverwerkingsproducten als kunstmest, buiten de 170 eenheden dierlijke mest. Dat is momenteel niet mogelijk, en het is Europa dat hierover beslist. “De Europese meststoffenwetgeving en de nitraatwetgeving zouden zich voor een stuk moeten durven moderniseren”, aldus voorzitter Dirk Denorme.
In de nota wordt er zelfs uitdrukkelijk gesteld dat nutriëntenrecuperatie en- valorisatie maar kan slagen als die recuperatie leidt tot een algemene reductie van het niet-dierlijke nutriëntengebruik op Vlaams niveau. “Zo niet heeft deze transitie geen enkele milieukundige noch economische meerwaarde”, zo klinkt het.
Er bestaan technieken, zoals het strippen/scrubben in de mestverwerking, die toelaten om de stikstof te recupereren. “Probleem is dat als de eindproducten weer binnen 170 kg dierlijke moeten gebruikt worden, men de moeite en kost niet meer doet”, duidde de heer Denorme. “Het is noodzakelijk dat meststoffen beoordeeld worden op hun eigenschappen, kwaliteit en werking en niet op basis van hun oorsprong als ‘dierlijke mest’”, zo klinkt de uitleg.
Steun zoeken
Europese regelgeving aanpassen is een kwestie van Europese politieke steun, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. “We hebben de formele bevestiging van het Kabinet Schauvliege om onze vraag mee te ondersteunen om producten na scrubben/strippen buiten de dierlijke 170 te houden”, legt Dirk Denorme uit.
Dat betekent veel en weinig tegelijkertijd. Stemmen moet op het niveau van de lidstaten gebeuren. Wallonië is geen voorstander van het aanpassen van de Europese meststoffenwetgeving, en al helemaal geen voorstander van het aanpassen van de Europese nitraatrichtlijn. De kans dat minister Schauvliege zich op het Europese toneel zou moeten onthouden, is reëel, al zijn de onderhandelingen nog bezig.
Beslissingen over bijvoorbeeld de meststoffenwetgeving zijn een gezamenlijk beslissing van de Europese Raad en het Europees Parlement. Via de Europarlementariërs zou Vlaanderen wel rechtstreeks een stem hebben, al is de steun van alle Vlaamse Europarlementariërs zeker geen evidentie.
In dat kader is het handig om ook met de Nederlanders te praten, die zeker en vast een minstens even erge mestproblematiek hebben. “We horen dat er daar naar Vlaams voorbeeld een Nederlands Coördinatiecentrum Mestverwerking zou komen, en dat zou zeker een interessante gesprekspartner zijn”, legde Dirk Denorme uit.
Op boerenschaal
“Het is voor de sector belangrijk dat de mestverwerking kan blijven evolueren, zodat we niet naar een inperking moeten gaan. Het is dankzij de mestverwerking dat boeren verder hebben kunnen uitbreiden en ademen”, hield de heer Denorme een warm pleidooi.
Of de nieuwsoortige mestverwerkingsinstallaties op boerderijschaal zullen werken of in grote centrale verwerkingseenheden in industriegebied, laat de visienota in het midden. Ook een combinatie met een gedeeltelijke verwerking op boerderijschaal behoort tot de mogelijkheiden. “Dat moet geval per geval en in functie van de techniek bestudeerd worden”, zo klinkt het.
Duwtje in de rug
Geen wishful thinking
Onder andere over het mogen inzetten van mestverwerkingsproducten als kunstmest wordt er al jaren gediscussieerd. Is een oplossing wel realiseerbaar? Philippe Tavernier, die namens de provincie West-Vlaanderen al van in het begin bij het VCM betrokken is, meent van wel. “21 jaar geleden, bij de start van het VCM, noemde men het ook wishful thinking om de mestverwerking in Vlaanderen op gang te trekken, maar daar zijn we toch in geslaagd. We hebben nu ook alle stakeholders samen op een lijn gekregen met eensgezindheid over de meeste punten. Dat kunnen we gebruiken als hefboom naar het beleid. Het is een basis om op verder te werken, en aan ons om de materie verder warm te houden.”
Rode draad
Wat de toekomst zal brengen is niet duidelijk. Wetgeving en techniek hebbben nog een weg af te leggen. Naast stikstof, fosfor en organische koolstof, zijn er zelfs nog andere mogelijkheden. Bij omgekeerde osmose is één van de eindproducten gedemineraliseerd water, maar ook kalium, magnesium en andere (micro)nutriënten kunnen uit mest gewonnen worden, en mest kan zelfs gebruikt worden om microalgen en insecten op te kweken. Het is een reden te meer om mestverwerking alle kansen te (blijven) geven. “Wij blijven mest als een heel waardevol materiaal zien”, zo beklemtoonde Emilie Snauwaert de rode draad van het VCM.